Home
Home





English





Workshops





Teksten/

Artikelen





Contact





Naud van der Ven





NB: zijn de teksten niet netjes leesbaar?
Probeer een ander merk browser, bijvoorbeeld Firefox.

Klik hier
                  voor blogberichten




Werk en Reflectie over Albert Camus




Inhoudsopgave



Inleiding

Parijs was het milieu waar Camus vanuit Algerije in de jaren 40 terechtkwam en het grootste deel van zijn werken heeft geschreven. Nu hebben wij gebruikelijk allerlei romantische beelden bij Parijs, zoals boekenstalletjes langs de Seine, gezellige tentjes in Quartier Latin en de lichtjes van de Eiffeltoren. Maar vanavond komen met Camus de wat zwaardere aspecten van de Lichtstad aan bod.

Die vliegen je recht in het gezicht, aangezien Camus in zijn boek De mythe van Sisyphus uit 1942 al stelde dat eigenlijk de belangrijkste filosofische vraag is waarom een mens geen zelfmoord zou plegen. Een centrale vraag bij Camus is dus: wat te doen als de zin van het bestaan eenmaal ondermijnd is door het denken? Immers, met het besef dat al het leven eindigt in de dood, kan zomaar de twijfel toeslaan over de zin van alles. Is het leven niet absurd? Die vraag van Camus zal leidend zijn in mijn verhaal van vanavond.

In het verleden, zegt filosoof Hans Achterhuis, waren er op dit soort vragen altijd bevredigende metafysische antwoorden, afkomstig van kerken en andere zingevingsautoriteiten. Daardoor hadden vragen over de dood geen wezenlijke invloed. Maar vanaf de 18e en 19e eeuw kon een steeds groter wordende groep denkende mensen met de bestaande antwoorden niet meer uit de voeten. De vraag van Camus hangt in 1942 dan ook al een tijdje in de lucht. De filosoof Martin Heidegger is in 1927 in zijn boek Sein und Zeit eigenlijk degene die de aanzet geeft tot een radicaal andere benadering met zijn uitgangspunt dat het leven van de mens niets anders is dan zijn gang naar de dood. Met name de Franse filosofie raakt al snel in de ban van dit eindigheidsdenken en probeert op dit troosteloze fundament een nieuwe bestaansgrond te bouwen.

Het is in Parijs dus niet alleen Camus die zich met die vraag bezighoudt. Het besef dat ons eigen eindige leven in het licht van de onverschillige eeuwigheid niets voorstelt verdragen we alleen als ‘walging’, meent Sartre, en hij werkt dat uit in zijn gelijknamige roman. Camus noemt het ‘het onbehagen tegenover de onmenselijkheid van de mens zelf’, of ook wel ‘het absurde’.

Wat is het absurde?

Het absurde, zegt Achterhuis, ontstaat in de botsing van de vragende mens met de zwijgende natuur en zijn onverschillige geschiedenis. Deze absurditeit zou niet bestaan als de mens nooit zou vragen: waarom? Waarom is dit zus of zo? Maar een mens valt nu eenmaal niet samen met zijn wereld en uit die afstand komen vragen voort. Hij stelt ze en begint te denken. Camus: “Wanneer men begint te denken, begint men zichzelf te ondermijnen”. Maar dat brengt je in een vicieuze cirkel, want dóór het denken neemt de afstand tussen mens en leven nog verder toe. Geen reclame voor ‘Werk en Reflectie’, dat snap ik, maar jullie vinden dit nu eenmaal leuk?

Er ontstaat het gevoel een toneelspeler te zijn, tegen een gegeven, door anderen bedacht decor. Camus: “Een gevoel van vervreemding slaat toe, en daarbij behorend: verzet, verscheurdheid en scheiding. Deze scheiding tussen de mens en zijn leven, de toneelspeler en zijn decor, is eigenlijk het gevoel van de absurditeit”.

Die onaangepastheid van de mens aan de wereld vormt het absurde, zegt Camus, en mits het denken er rijp voor is kan het gevoel van absurditeit ieder willekeurig mens op iedere willekeurige straathoek overvallen. In het dodelijke licht van dit lot verschijnt de nutteloosheid. “Dit evidente is het absurde”.

Wat gebeurt er precies?

Als de leegte veelzeggend wordt, en dus gedachten oproept, zo zegt Camus, “dan stort het decor in. Opstaan, de tram, vier uur kantoor of fabriek, eten, de tram, vier uur werken, eten slapen en maandag dinsdag woensdag donderdag vrijdag en zaterdag, steeds in hetzelfde ritme – deze routine vult gemakkelijk het grootste deel van het leven. Maar op zekere dag rijst het ‘waarom’ op, en met deze moeheid, waarin zich verbazing mengt, neemt alles een aanvang. ‘Een aanvang nemen’ is belangrijk. De moeheid wacht aan het eind van een mechanisch leven, maar tevens geeft zij de eerste stoot aan het ontwaken van het bewustzijn en bereidt de volgende stap voor, die van de vervreemding”.

“Diep in alle schoonheid schuilt iets onmenselijks en die heuvels, de liefelijkheid van de hemel, de tekening van de bomen verliezen op slag de illusoire zin waarvan wij ze voorzagen om voortaan verder van ons af te staan dan een verloren paradijs. Deze wereld is in zichzelf niet redelijk, dat is alles wat men erover zeggen kan. Absurd is de confrontatie van het irrationele en het hevige verlangen naar redelijke klaarheid, dat in het diepste innerlijk van de mens op antwoord wacht”.

Toch blijft voor Camus zijn verlangen naar helderheid het uitgangspunt. De botsing met het onbegrijpelijke waar het zojuist over ging noopt Camus ertoe te onderzoeken hoe de mens dan wél in het reine kan leven met het absurde.

“Ik kan alleen iets begrijpen binnen menselijke grenzen. Wat ik aanraak, wat weerstand biedt – dat begrijp ik. Ik weet níet of deze wereld een zin heeft die daar boven uitgaat. Maar ik weet dat ik deze zin niet ken en dat ik hem vooralsnog onmogelijk kan kennen. Wat heb ik aan een zin die buiten mijn situatie ligt? Ik wil niets funderen op het onbegrijpelijke”.

De uitwerking door Camus

Zelfmoord

De geest, die tot de uiterste grens is doorgedrongen en midden in de geestelijke woestijn verkeert, moet een oordeel vellen en zijn conclusies trekken. Hier plaatst zich de zelfmoord. Als uit alles blijkt dat het leven geen zin heeft waarom maken we er niet gewoon een eind aan? Dat is de vraag waar Camus in zijn essay geen seconde van afwijkt.

Maar, zo logisch als die vraag en het antwoord lijken, zo beslist is Camus in zijn voornemen om de zaak eerst verder te onderzoeken. “De ervaringen die ik hier heb opgeroepen, zijn ontstaan in de woestijn die we niet meer mogen verlaten. We moeten op zijn minst weten tot hoever ze doorgedrongen zijn.” Camus start dus een nader onderzoek naar wat er in die woestijn geestelijk met ons gebeurt en wil vervolgens weer op de dagelijkse gevoelens en gedragingen terugkomen.

Filosofische zelfmoord

Zijn onderzoek leidt hem tot de vaststelling dat, sinds het gevoel van het absurde zich aan de mensen opdrong, gebruikelijk een antwoord werd gezocht in hogere geestelijke sferen. Camus noemt dit de zelfmoord van het denken of ook ‘de filosofische zelfmoord’. Die is zo oud als de filosofie zelf, zeg tweeëneenhalfduizend jaar. Maar deze wordt in de twintigste eeuw opnieuw voltrokken door de denkers die, ondanks de geconstateerde leegte, toch een absolute zingeving, een absolute verklaring of een religieuze hoop proberen te verschaffen. Veel moderne denkers, bijvoorbeeld Heidegger en Jaspers, zijn door hun nostalgie met elkaar verwant. Zij zijn bezig de koninklijke weg van de rede te versperren en de rechte wegen van de waarheid terug te vinden.

Camus moet daar niets van hebben en stelt ook vast dat het niet meer werkt. “De primitieve vijandigheid van de wereld stelt zich na duizenden jaren weer tegenover ons. Maar van nu af aan beschikken we niet meer over de kracht om van de oude kunstgrepen gebruik te maken”. Toch blijven mensen kunstgrepen zoeken, en Camus vindt het bijzonder interessant om deze, wat hij noemt, ‘vlucht’ in nieuwe kunstgrepen nader te bekijken. “Niets is zo leerzaam als een onderzoek naar de manier waarop de mensen, die van een kritiek op het rationalisme uitgaande het absurde klimaat erkend hebben, hun gevolgtrekkingen hebben gemaakt”.

Vervolgens loopt hij een paar filosofische stromingen af, om te beginnen het existentialisme waarvan onder andere Heidegger, Jaspers en Sartre exponenten zijn. “Welnu, als ik mij bij de existentiefilosofieën houd, zie ik dat ze mij allemaal zonder uitzondering een vlucht voorstellen”. Hij ziet daarin de doorwerking van het heimwee naar de verloren eenheid van vóór de vervreemding.

Bijvoorbeeld bij Karl Jaspers. Die stelt een opvatting van het ‘zijn van de wereld en de dingen’ voor als iets dat plotseling door een daad van blind menselijk vertrouwen alles verklaart, en dat hij definieert als: ‘de onbegrijpelijke eenheid van het algemene en het individuele’. “Zo wordt”, zegt Camus dan, “het absurde god (in de ruimste zin van het woord) en dat onvermogen om te begrijpen wordt het zijn, dat alles verlicht. Door niets wordt deze redenering logisch. Ik kan haar een sprong noemen”.

Maar ook een andere filosofische stroming, die van de fenomenologie, moet er bij Camus aan geloven. Over de vader van de fenomenologie, Edmund Husserl, schrijft hij: “Wanneer Husserl ergens uitroept dat natuurkundige wetten ook zonder toepassing voortbestaan, dan weet ik dat ik met een troostgevende metafysica te doen heb”. En: “De fenomenologie wil de wereld niet verklaren, zij wil slechts datgene beschrijven wat doorleefd is. Met haar stelling dat er geen waarheid is, maar alleen waarheden, sluit zij zich aan bij het absurde denken. Nadat Husserl de integrerende macht van de menselijke rede ontkend heeft, sprint hij langs deze omweg in de eeuwige Rede”. Namelijk, door zoiets als het ideële bestaan te postuleren van ontoepasbare wetten.

Camus gelooft er niet in en op een gegeven moment snapt hij waarom niet. “Ik begrijp nu waarom de doctrines die mij alles verklaren, mij tegelijkertijd verzwakken. Ze bevrijden mij van het gewicht van mijn eigen leven en het is toch wel nodig dat ik het alleen draag”.

Op dat moment formuleert hij een derde mogelijkheid, naast de fysieke zelfmoord en de filosofische zelfmoord: “Zal men sterven, door de sprong ontsnappen of een bouwwerk optrekken van ideeën en vormen die hem passen? Of zal men integendeel op de verscheurende en wonderlijke weddenschap van het absurde ingaan?”

Fatale zekerheid

Dat laatste is wat hij voorstelt. Want de filosofische uitwegen gaan zijn maat te boven: “Ik wil weten of ik kan leven met wat ik weet en met niets anders. Het enige wat mij interesseert is te weten of men zonder hogere instantie kan leven. Kan ik me in dit levensbeeld, zoals het mij gegeven is, schikken? Het gaat erom in deze toestand van het absurde te leven, ik vraag een leefregel voor deze toestand”.

Camus gebruikt het woord ‘schikken’ maar hij noemt de door hem gepropageerde houding het tegendeel van aanvaarding of resignatie. Het gaat om wéten dat het zo is als het is en niet anders. “Dat is de zekerheid van een verpletterend noodlot en niet de resignatie die daarmee gepaard zou moeten gaan”.

Daarom is het voor hem eerder een vorm van opstand. “Het enige filosofische uitgangspunt dat steek houdt is dus de opstand. Het is de voortdurende confrontatie van de mens met zijn eigen duisterheid. Het zet de wereld iedere seconde op losse schroeven”. Daar wijdt hij zelfs behoorlijk pathetische woorden aan: “Deze revolte geeft het leven zijn waarde. Uitgebreid over de gehele duur van een bestaan geeft zij het zijn grootheid terug. Voor een mens zonder oogkleppen bestaat er geen schoner schouwspel dan het gevecht tussen het verstand en een werkelijkheid die haar te boven gaat. Het schouwspel van de menselijke trots is onvergelijkelijk”.

Op dit punt snappen we wat Camus heeft met Sisyphus, die hij opneemt in de titel van zijn boek. Vanwege zijn haat tegen de dood en zijn liefde voor het leven was Sisyphus volgens Camus’ versie van de Griekse mythe door de goden “veroordeeld tot het voortdurend omhoogduwen  van een rotsblok naar de top van een berg, vanwaar het dan vanzelf weer naar beneden rolde”. Deze ‘Sisyphusarbeid’, dit zinloze bestaan, wordt voor de absurde held echter een bron van kracht, bewustzijn en geluk.

“Het mag duidelijk zijn, Sisyphus is de absurde held. Zowel vanwege zijn hartstochten als zijn kwelling. Zijn verachting voor de goden, zijn haat tegen de dood en zijn liefde voor het leven, zijn hem deze onbeschrijflijke marteling waard geweest”.

Wat we hier zien is hoever de absurde ervaring zich van de zelfmoord verwijdert. “Bewustzijn en opstand, deze antwoorden zijn het tegendeel van zelfverloochening. Alle onverzettelijkheid en hartstocht die er in een menselijk hart zijn, bezielen hen met leven. Het is zaak onverzoend en niet uit vrije wil te sterven. Zelfmoord is een miskenning. De absurde mens kan alleen alles uitputten en zichzelf uitputten”. Het parool is dus: zo intensief en lang  mogelijk leven.

“Zo trek ik uit het absurde drie consequenties, te weten mijn opstand, mijn vrijheid en mijn hartstocht. Louter door het spel van het bewustzijn verander ik dat, wat een uitnodiging tot de dood was in een leefregel – en ik wijs de zelfmoord af”. Camus zegt zelfs dat het er niet op aankomt zo goed mogelijk, maar zo lang mogelijk te leven. En dat komt omdat, zoals hij zegt, hier waardeoordelen – die hij associeert met filosofische illusies – in het belang van feitelijke oordelen terzijde worden geschoven. De fatale zekerheid van het tijdelijke is voor hem interessanter dan eeuwige waarden, en die maakt het leven de moeite waard.

In hoeverre klinkt er iets nihilistisch door in dit standpunt van Camus? Dat kun je erin lezen, zeker als hij als volgt formuleert: “Maar wat betekent het leven in een dergelijke wereld? Voorlopig niets anders dan onverschilligheid voor de toekomst en het hartstochtelijke verlangen al het gegevene uit te putten. Het absurde geeft mij op dit punt opheldering: er is geen morgen. Dat is voortaan de grond van mijn diepe vrijheid”. Zo’n uitspraak maakt mij wel benieuwd naar het milieustandpunt dat Camus zou hebben ingenomen.

Aan de andere kant: het bewustzijn van onze toestand is voor hem een groot goed, en dat associeer je weer niet zo gauw met nihilisme. Zie bijvoorbeeld dit citaat: “Het huidige moment en de opeenvolging van deze momenten tegenover een steeds bewuste ziel, dat is het ideaal van de absurde mens”.

Ook het belang van bewustzijn illustreert Camus aan de hand van Sisyphus. Daarvoor zoomt hij in op de momenten in het verhaal waarop de steen vanaf de top alweer naar beneden is gerold en Sisyphus de afdaling maakt, de steen achterna. “Op deze terugweg, tijdens deze adempauze, interesseert Sisyphus mij. Deze tijd, als een moment om op adem te komen, die even zeker terugkomt als zijn onheil, is de tijd van het bewustzijn. Als de afdaling menige dag met droefheid gepaard gaat, kan ze ook met vreugde gepaard gaan”.

Die vreugde bestaat erin dat, hoe uitzichtloos zijn nutteloze routine ook is, Sisyphus die routine niet meer verbindt met verpletterende waarheden. Daar heeft hij zich, met behulp van zijn bewustzijn, van bevrijd en dat scheelt een hoop ellende. “Het verjaagt een god uit deze wereld, die er met het onbehagen en met de voorliefde voor nutteloos leed in was binnengedrongen. Het maakt van het noodlot een menselijke aangelegenheid die onder mensen geregeld moet worden. Daarin bestaat de verzwegen vreugde van Sisyphus”.

Hoe terug te zien in management en organisatie?

Op welke manier zien we in management en organisatie iets terug van deze denkbeelden over het absurde, het doorbreken van valse illusies van zin en de afwijzing van het heimwee naar eenheid?

Deze vraagstelling deugt niet voor management en organisatie want die veronderstelt dat daar een zingevingsprobleem speelt. Maar daar zijn eigenlijk geen aanwijzingen voor te vinden,  het gevoel van zin en betekenis is op dat terrein nauwelijks ondermijnd. Er valt dus geen typische management-en-organisatie-variant aan te wijzen van het absurde. Management-en-organisatie-filosofie blaakt over het algemeen van geloof in rede en zin – misschien met uitzondering van de Critical Management Studies, die eigenlijk alleen in Engeland van enige betekenis is. Of het nu gaat over het uitstippelen van strategie, het aanbrengen van structuur of het psychologisch verantwoord omgaan met mensen, daarover kan veel discussie zijn binnen de organisatiekunde. Maar of het überhaupt van betekenis is wat wij doen binnen organisaties, en zo nee, of managen en organiseren geen absurde bezigheden zijn, die vragen komen over het algemeen niet aan de orde.

Vanuit het perspectief van Camus verwoord: “Alles is ingericht op het tot stand komen van die vergiftigde vrede, die de zorgeloosheid, een ingeslapen innerlijk en de verloochening van de dood ons schenken”. Daar is geveinsde onwetendheid voor nodig, namelijk ontkenning van de dood. “Men kan er zich nooit genoeg over verbazen dat iedereen leeft alsof ‘niemand het weet’, en alsof er hoop is”, laat Camus zich misschien een beetje hooghartig ontvallen.

Dat zal de verklaring zijn voor het feit dat ik binnen de organisatiekunde geen auteurs heb kunnen vinden die inhoudelijk met Camus aan de slag zijn gegaan. Dat soort auteurs waren er wel in relatie tot Hannah Arendt, Foucault en Habermas, en daar heb ik in mijn inleidingen dankbaar gebruik van kunnen maken. Kennelijk is ‘het absurde’ van Camus een brug te ver voor organisatiekundigen, zelfs in Engeland.

Dat dat in de praktijkgerichte wereld zo is, kan Camus zelf wel verklaren. “Alles wat de mens tot werken aanzet en wat hem onrustig maakt heeft hoop nodig”. Bovendien, “Zolang de geest zwijgt in de roerloze wereld van de hoop, wordt alles weerkaatst en geordend in die eenheid waar zijn heimwee naar hunkert”. Waarbij ik een associatie met ‘de zwijgende mens’ van Arnold Cornelis niet kan onderdrukken.

Niet de kwaal, wel de symptomen

Er zijn dus weinig of geen aanknopingspunten te vinden in de wereld van management en organisatie met het absurde. Wel vertonen organisaties trekken die lijken op de vluchtwegen van de filosofie toen die eenmaal het gevoel van zinloosheid bewust onder ogen had gezien. Dat is opmerkelijk, omdat de organisatiekunde zich van niets absurds bewust is.

Zoals we gezien hebben stonden er voor de filosofie, na de confrontatie met de absurditeit en zinloosheid van het bestaan, twee vluchtwegen open. Vluchten kon in de richting van de uiterste rationalisering van de werkelijkheid, die tot de verbrokkeling daarvan in redelijke typeringen leidt; en het kon in de richting van de uiterste irrationalisering die tot de vergoddelijking ervan leidt.

Van die beide benaderingen van de werkelijkheid, benoemd als vluchtwegen, zijn opmerkelijk genoeg organisatiekundige pendanten te vinden. Voor de uiterste rationalisering denk ik aan Scientific management en andere positivistische stromingen. Bij de uiterste irrationalisering denk ik aan de enorme statusjacht, spilzucht, prestigeobjecten, die toonbeelden van irrationaliteit en ondoelmatigheid zijn, maar op hun eigen manier een geborgenheid moeten opleveren.

Het grote verschil met de filosofie is echter dat men zich, zoals gezegd, in de filosofie bewust was van het probleem van de zinloosheid. Daardoor kon men dat probleem expliciet maken, voordat men ging vluchten. In management en organisatie zijn uitspraken over de zinloosheid van werk zo goed als niet te vinden, dus is zinloosheid als probleem al niet aanwezig. Kennelijk heb je geen bewust probleem nodig om toch te willen vluchten.

De confrontatie van de absurde mens met organisaties

Maar als organisaties, of mensen die spreken namens organisaties, niet bekend zijn met het absurde, wil dat nog niet zeggen dat mensen binnen organisaties – gewone medewerkers dus – niet bekend zijn met het absurde. Als het waar is wat Camus beweert, dat het denken in onze tijd meer dan ooit doordrongen is van de zinloosheid van de wereld – dan  kan het niet anders of gewone medewerkers zijn daarmee geďnfecteerd. Op die manier komt het absurde alsnog organisaties binnen.

De interessante vraag is vervolgens: hoe reageren een organisatie die zich van geen absurditeit bewust is, en een mens, die zich bewust is van de absurditeit van de wereld – zichzelf en organisaties incluis – op elkaar?

De beste manier om daar een beeld van te krijgen, heb ik gedacht, is om een aantal verhalen te vertellen van individuen, waarin die confrontatie met een organisatie aan de orde is. Zo presenteer ik achtereenvolgens een zelfverzonnen dialoog tussen de jonge Albert Camus en zijn leidinggevende, het verhaal van Bartleby van Herman Melville en de mythe van Sisyphus.

Maar om de gedachten te richten zoom ik eerst nog even in op een paar uitspraken van Camus over de positie van het individu in deze wereld.

“Voordat de mens het absurde ontmoet, leeft hij het dagelijks leven met een doel, met zorgen voor de toekomst of voor een rechtvaardiging (ten opzichte van wie of wat doet er niet toe). Hij schat zijn kansen, hij houdt rekening met een verre toekomst, met zijn pensioen of met het werk van zijn kinderen”.

“Maar na de ontmoeting met het absurde is alles aan het wankelen gebracht door de absurditeit van een mogelijke dood”.

“Welnu, als het absurde al mijn kansen op een eeuwige vrijheid de bodem inslaat, dan geeft het mij daartegenover mijn vrijheid van handelen terug en maakt deze zelfs nog groter”.

“Een enkele waarheid – als zij evident is – is voldoende voor de duur van een bestaan”.

Dialoog tussen de jonge Camus en zijn leidinggevende

Mijn verbeeldingskracht is niet groot. Maar bij gebrek aan uit het feitelijke organisatieleven gegrepen voorbeelden voel ik me wel gedwongen om zelf een beeld te vormen van de manier waarop Camus’ ideeën over het absurde kunnen uitwerken in een organisatie. Daartoe heb ik onderstaand de jonge Albert Camus geplaatst in de situatie van een functioneringsgesprek met zijn leidinggevende.


L: Zo Camus, hoe gaat het?

C: Ja, wel goed.

L: Ja, die indruk heb ik ook wel. Je houdt je bezig met het boeken van facturen, en daar is men zo te horen wel tevreden over.

C: Ja, inderdaad

L: En vind je het zelf ook een beetje leuk?

C: Hoe bedoelt u?

L: Nou, ga je met plezier naar je werk?

C: Ja, best wel.

L: Dat klinkt een beetje lauw. Ik vraag het omdat ik weet dat jij een goede opleiding hebt gehad en veel in je mars hebt. Komt alles er wel uit wat erin zit?

C: Hoe bedoelt u?

L: Nou Camus, in dit bedrijf stralen we graag uit dat we enthousiast zijn en dat we gelóven in onze producten. En dát mis ik een beetje bij jou.

C: Ik geloof nergens in, meneer.

L: Dat maak je me niet wijs, Camus. Ieder mens heeft een doel, een opdracht in zijn leven. Wat is jouw drive? Waar word je warm van?

C: Van de zon, meneer.


Ter verantwoording van mijn verzinsel wil ik hierop de volgende tekst van Camus laten volgen:

“Als je die helderheid over het absurde eenmaal hebt, dan moet je je ook van haar doelloosheid bewust blijven. Daarin moet je volharden. Op een bepaald punt van zijn weg wordt de absurde mens ergens toe gedreven. Men verlangt van hem dat hij springt. Alles wat hij kan antwoorden is dat hij dit niet goed begrijpt, dat dit niet evident is. Hij wil juist alleen maar datgene doen wat hij goed begrijpt. Men verzekert hem dat dat de zonde van de hoogmoed is, maar hij verstaat het begrip hoogmoed niet; dat aan het eind misschien de hel wacht, maar hij heeft niet genoeg verbeeldingskracht om zich deze vreemde toekomst voor te stellen; dat hij het eeuwige leven verliest, maar dat zal hem onbelangrijk toeschijnen. Men zou hem tot erkenning van zijn schuld willen brengen. Hij voelt zich onschuldig. Eerlijk gezegd, voelt hij alleen dat, zijn onverbeterlijke onschuld. Zij veroorlooft hem alles. Op die manier eist hij van zichzelf alleen met datgene te leven wat hij weet, zich alleen naar datgene te schikken wat is en niets in te schakelen dat niet zeker is. Men antwoordt hem dat niets zeker is. Maar dat is tenminste een zekerheid. Daarmee moet hij het doen: hij wil weten of het mogelijk is te leven zonder zich ergens op te kunnen beroepen. Op dit moment treedt het absurde, dat zo evident en tegelijk zo moeilijk te vatten is, het leven van een mens binnen en raakt er thuis”.

Bartleby

Bartleby is het verhaal van een kantoorklerk op een advocatenkantoor op Wallstreet in het midden van de 19e eeuw. Bartleby is aangenomen op het kantoor om samen met twee andere klerken juridische documenten te kopiëren. Dat is uiterst droog en saai werk, maar Bartleby verrast door de ijver, nauwkeurigheid en productiviteit die hij daarbij aan de dag legt. De advocaat is als baas van het kantoor dan ook zeer ingenomen met zijn nieuwe kracht, al had het van hem wel een opgeruimder type mogen zijn dan de teruggetrokken, bleke figuur van Bartleby. Het enthousiasme wordt getemperd als op de derde dag Bartleby een voor dit werk zeer gebruikelijk karweitje weigert. Kopieën van documenten moeten vergeleken worden met de originelen en ieder van de klerken wordt daar regelmatig voor gevraagd. Zo ook Bartleby, maar hij geeft zijn baas te kennen dat hij het liever niet doet, of in zijn woorden: I would prefer not to. De advocaat is even helemaal uit het veld geslagen, maar het werkt roept. Hij zal er een andere keer wel op terugkomen.

Maar de scčne herhaalt zich en steeds bedient Bartleby zich daarbij van dezelfde formule: I would prefer not to. De baas slaat aan het piekeren. Normaal gesproken zou voor hem werkweigering zonder mankeren aanleiding zijn voor ontslag, maar op een of andere manier wordt hij ontwapend door het optreden van Bartleby. De wijze waarop hij zijn weigering formuleert heeft daar alles mee te maken. De baas wordt geraakt en zoekt het overleg met hem maar dat blijkt met Bartleby niet mogelijk. Op het verzoek tenminste een béétje redelijk te zijn komt het antwoord dat hij er op dit moment de voorkeur aan geeft om niet een beetje redelijk te zijn. Dat alles brengt de advocaat in een kluwen van tegenstrijdige gevoelens en gedachten, variërend van vastbesloten afwijzing van Bartleby tot melancholie en solidariteit met een verloren mens.

De zaak escaleert als Bartleby op een gegeven moment aankondigt dat hij er de voorkeur aan geeft ook niet meer te kopiëren. Ontslag kan nu niet uitblijven, Bartleby dient binnen zes dagen opgestapt te zijn. Als de baas hem op de zevende dag nog op kantoor aantreft moet hij moeite doen een woedeaanval te onderdrukken. Tegelijkertijd voelt hij de onmogelijkheid om wreed te zijn tegenover Bartleby. Hij vraagt zich af wat zijn geweten hem op dit moment voorschrijft. De advocaat kiest voor de oplossing om dan maar zelf het pand te verlaten: hij verhuist zijn kantoor onder achterlating van Bartleby. In een leeggeruimde kamer neemt de baas nog een keer afscheid. Hij moet zich van Bartleby losrukken, van dezelfde man van wie hij zo graag verlost wilde zijn. De huisbaas van het pand doet tenslotte wat de advocaat niet lukte: de politie bellen om Bartleby te laten verwijderen. Als de advocaat daarvan hoort is zijn reactie ambivalent: “In eerste instantie was ik verontwaardigd; maar uiteindelijk stemde ik er bijna mee in. Ik zou het zelf zo nooit gedaan hebben, maar onder zulke bijzondere omstandigheden leek dit het beste plan”. Bartleby sterft in bewaring bij de politie.


Het wezenlijke karakter van het absurde is strijd, het gaat om volharding. Dat betekent verzet, verscheurdheid en scheiding. Dat alles zien we optreden in het geval van Bartleby.

Onderstaand enkele citaten van Camus die mogelijk van toepassing zijn.

“Als ik een boom onder de bomen was, een kat onder de dieren, dan zou dit leven een zin hebben of liever, dan zou dit probleem er helemaal niet zijn, want dan zou ik een deel zijn van deze wereld. Dan was ik deze wereld, terwijl ik er als mens, door mijn rede en bewustzijn, tegenover gesteld voel. Juist deze bespottelijke rede brengt mij in verzet tegen de gehele schepping. Op dit moment treedt het absurde, dat zo evident en tegelijk zo moeilijk te vatten is, het leven van een mens binnen en raakt er thuis”.

Dat zien we terug bij Bartleby, althans dat kun je erin leggen: deze man voelt de eis van de wereld: Gij zult kopiëren. En hij voelt de eis van de rede in zijn hart: Waarom kopiëren, waarom niet iets leuks? Hij komt in het krachtenveld van het absurde, en gaat de strijd aan. Dit resulteert aanvankelijk in een absurd evenwicht tussen zorgvuldige kopieerijver aan de ene kant en tastbare weerzin aan de andere kant.

“Het gaat erom in deze toestand van het absurde te leven. Ik vraag een leefregel voor deze toestand. Dat is de overwinning. De hel van het heden is het koninkrijk van de absurde mens”. Het is dus zaak, aldus Camus, om dat absurde evenwicht te handhaven.

Welnu,  daar slaagt Bartleby niet in. Die overwinning kent hij niet. Eén van de twee polen die samen het absurde vormen laat hij los, namelijk het dorre, moeizame kopiëren dat symbool staat voor de zinloosheid van de wereld. Dat werk wil hij niet meer doen, en daarmee verdwijnt ook het absurde.

Bartleby start dus als een goede kandidaat voor de model absurde mens, maar hij faalt in het bereiken van die toestand.

Sisyphus

Wie volgens Camus wél slaagt, met vlag en wimpel zelfs, voor het examen ‘absurde mens’, is Sisyphus.

“De goden hadden Sisyphus veroordeeld tot het voortdurend omhoog duwen van een rotsblok naar de top van een berg, waarvandaan het dan vanzelf weer naar beneden rolde. Ze hadden, niet zonder reden, bedacht dat er geen vreselijker straf bestaat, dan nutteloze en hopeloze arbeid”. Als reden voor de straf worden uiteenlopende motieven gegeven. Zo zou hij geheimen van de goden verraden hebben, of hun jaloezie gewekt hebben tijdens zijn leven aan een zonnige baai waar hij genoot van zon en zee. “Mercurius greep de vermetele bij de kraag, rukte hem weg van zijn genietingen en bracht hem met geweld naar de onderwereld, waar zijn rotsblok al klaarlag”.

“De absurde mens blijft opmerkzaam. Hij houdt de rede hoog maar laat ook het troosteloos irrationele toe. Hij slaat dus acht op alle gegevens van de ervaring en erkent de strijd. Hij weet alleen dat in deze opmerkzame bewustheid geen plaats meer is voor hoop. De hel van het heden is ten slotte zijn koninkrijk”.

 “Ik verlaat Sisyphus aan de voet van de berg! Men vindt zijn last altijd weer terug. Maar Sisyphus leert ons de hogere trouw die de goden verloochent en die de steen wentelt. Ook hij vindt dat alles goed is. Dit universum, dat voortaan geen meester meer heeft, lijkt hem noch onvruchtbaar noch waardeloos. Ieder korreltje van deze steen, ieder splintertje erts van deze in nacht gehulde berg betekent een wereld op zich. De strijd op zichzelf tegen de top is voldoende om het hart van een mens te vullen. We moeten ons Sisyphus als een gelukkig mens voorstellen”.

Veiligheid

Hoe zit het met mijn veiligheid bij het lezen van Camus?

Vanzelfsprekend stelt het thema zelfmoord niet direct gerust.

Maar wat me wel weer goed doet is de onderkenning van het gegeven dat een mens zich angstig en verloren kan voelen in deze wereld en dit zwijgende heelal. Gevoelens van ontheemding, vervreemding en angst kunnen nogal eens afgedaan worden als symptomen van een ongezonde psycho-sociale ontwikkeling. Van dat laatste is bij Camus geen sprake. Hij benoemt die gevoelens als verschijnselen van primair existentieel belang, misschien zelfs wel de enige verschijnselen die écht serieuze filosofische reflectie behoeven.

Citaten die hierbij horen:

“De primitieve vijandigheid van de wereld stelt zich na duizenden jaren weer tegenover ons. In een wereld die plotseling van illusies en van licht beroofd is, voelt de mens zich een vreemdeling”.

“Het absurde legt haar grenzen vast, daar zij niet in staat is de angst tot bedaren te brengen”.

Ik vind dat mede dáarom geruststellend omdat de angst bij Camus niet tot wanhoop leidt, of tot nihilisme. Hij blijft spreken van waarden die de moeite waard zijn.

“Deze revolte geeft het leven zijn waarde. Uitgebreid over de gehele duur van een bestaan geeft zij het zijn grootheid terug. Voor een mens zonder oogkleppen bestaat er geen schoner schouwspel dan het gevecht tussen het verstand en een werkelijkheid die haar te boven gaat. Het schouwspel van de menselijke trots is onvergelijkelijk”.

Commentator Bas Heijne waardeert eveneens in Camus dat hij zo expliciet is over het gebrek aan zin. “Wat je aan Camus kunt blijven bewonderen, is dat hij zijn waarden wilde bevechten op de leegte. Tegenwoordig wordt die leegte meestal botweg ontkend. Moraal wordt niet bevochten, maar weer zelfgenoegzaam verkondigd uit naam van burgerlijke kortzichtigheid – of een goddelijke orde. Geluk is een geboorterecht. De absurde mens van vandaag leest The Secret. Volgens die wereldwijde bestseller is het de bedoeling dat je het universum op jouw wensen en verlangens trakteert. Wat blijkt: doe je het goed, dan geeft het universum je geheid antwoord. Al je wensen gaan in vervulling. Blijvend geluk is je deel”.

Camus naast Levinas

Wat kan ik kennen?

Levinas en Camus stemmen overeen in hun constatering dat de wereld vol zit met illusies, en misschien wel voor het grootste deel onkenbaar is.

Camus: “Van wie en van wat kan ik inderdaad zeggen: ‘Dat ken ik!’ Dit hart in mij kan ik voelen en daar maak ik uit op dat het bestaat. De wereld kan ik aanraken en ook daaruit maak ik op dat zij bestaat. Daarmee houdt echter mijn hele wetenschap op, de rest is constructie. Zelfs dit hart dat toch het mijne is, zal mij altijd raadselachtig blijven. De kloof tussen de zekerheid die ik heb van mijn bestaan en de inhoud die ik deze zekerheid tracht te geven, is nooit te overbruggen. Ik zal mijzelf altijd vreemd blijven. Het ‘ken uzelf’ van Socrates is een steriel spel met grote dingen. Wat is de waarde van een denken dat zichzelf ontkent zodra het iets beweert?”

Levinas

Met dat laatste zou Levinas kunnen instemmen. Maar hij vult dat aan met de vaststelling dat iets in deze wereld ontegenzeglijk kenbaar is: de verrassende doorbreking van ons denken door het optreden van een ander. Daar doet zich de gewaarwording voor dat je iets nieuws leert en een illusie kwijtraakt, en dus even iets zeker weet. Je leert iets dat je nog niet wist. Dat voelt als echte kennis.

Consistentie

Camus en Levinas zijn verwant in de manier waarop ze de rede ter discussie stellen. Beiden zien een belangrijke plaats voor de rede in de menselijke samenleving, maar beiden zien ook dat de rede de neiging heeft om het denken te verabsoluteren en opvattingen en waarden universeel te willen maken die dat niet zijn. Kortom, dat het denken gewelddadig kan worden is voor beiden een thema.

De filosoof Ger Groot schreef ten aanzien van dat punt: “Als het erop aankomt zijn wij tribale wezens, voor wie verwantschap zwaarder weegt dan de nobelste principes. De Franse filosoof Albert Camus schokte de wereld ooit met die vaststelling. Toen hem werd gevraagd naar zijn mening over de koloniale oorlog die Frankrijk in Algerije aan het uitvechten was, zei hij: ‘Ik heb terreur altijd veroordeeld. Ik moet ook het terrorisme veroordelen dat blindelings heerst in de straten van Algiers en dat op een dag mijn moeder of mijn familie kan treffen. Ik geloof in gerechtigheid, maar vóór alle gerechtigheid zal ik het opnemen voor mijn moeder’. Het feit dat Camus’ familie in Algiers woonde, kleurde zijn blik. Daarmee had hij op dat moment zijn intellectuele doodvonnis getekend. Want wat is een filosoof nog waard als hij de hoogste morele principes opoffert aan persoonlijke overwegingen of emoties? Toch was Camus consistent. Eerder had hij al geschreven dat ‘elke moraal een aandeel realisme nodig heeft’, en dat ‘de volledig zuivere deugd moorddadig is.’ Daar had hij volkomen gelijk in”.

Levinas

Levinas is op dit punt minder consistent gebleven dan Camus. Zoals al eerder aangegeven in mijn inleiding over Martha Nussbaum en in het artikel De valkuil van de universaliserende rede, is Levinas op een gegeven moment bezweken voor de verleiding van het universaliserende denken. Hij definieerde het ‘zijn voor de ander’ als een altijd en bij iedere mens aanwezige diepste laag van mens-zijn, en verliet daarmee zijn eerdere positie waarin hij zijn-voor-de-ander en zijn-voor-zichzelf op anarchistische manier naast elkaar plaatste. Jammer.