Home
Home





English





Workshops





Teksten/

Artikelen





Contact





Naud van der Ven





NB: zijn de teksten niet netjes leesbaar?
Probeer een ander merk browser, bijvoorbeeld Firefox.

Klik hier
                  voor blogberichten




Werk en Reflectie over Jürgen Habermas




Inleiding

Stel je wilt met een aantal vrienden een paar dagen naar Parijs. Welk hotel moet je dan reserveren? Welk restaurant? Om tot een democratische beslissing te komen, moet eerst eindeloos overlegd worden. Dat is volgens de filosoof Habermas een vorm van communicatieve rationaliteit die eigen is aan ‘de leefwereld’ van mensen. Habermas geeft in Theorie des kommunikativen Handelns een kritische analyse van de moderne maatschappij. In het boek pleit hij voor het communicatieve handelen, waarbij mensen voortdurend met elkaar in discussie treden.

Maar het is natuurlijk efficiënter als één persoon alle beslissingen neemt. Daarom valt een bedrijf dat snel beslissingen moet kunnen nemen eerder terug op zijn hiërarchische systeem en ligt democratisch optreden daar minder voor de hand dan tijdens een trip naar Parijs. En voor samenwerking binnen een overheidsorganisatie kan het wéér anders liggen.

Kennelijk kan sociale actie verschillende vormen aannemen. De communicatieve rationaliteit van de leefwereld (tripje naar Parijs) aan de ene kant, de instrumentele rationaliteit van een op winst gericht bedrijf aan de andere kant, en vele varianten daar tussenin. Het benoemen van deze twee polen is een kernthema van Habermas, en voor een goed begrip zijn de woorden die hij koppelt aan elk van die polen van belang.

Leefwereld en systeemwereld

Zoals we zagen koppelt hij de communicatieve rationaliteit, ook wel genoemd ‘communicatief handelen’, aan wat hij noemt de ‘leefwereld’. Die omvat de persoonlijke levenssfeer voor zover het geen werk is: ons leven thuis of op vakantie, met familie en vrienden. Daartegenover staat de rationaliteit van ‘het systeem’, dat wil zeggen van ons werk en van de bredere maatschappelijke ordening waarin wij functioneren. Zojuist duidde ik die rationaliteit aan als instrumentele rationaliteit oftewel doel-middel-rationaliteit. Maar Habermas heeft daar een eigen woord voor: het ‘strategische handelen’. Aan die sfeer zijn altijd de elementen ‘geld’ en ‘macht’ gekoppeld.

De verhouding tussen leefwereld en systeem is voor Habermas een centraal thema. Die verhouding zou in evenwicht moeten zijn maar, zegt Habermas, dat is niet zo. Het systeem heeft in de moderne samenleving de neiging om te gaan woekeren en veel te ver binnen te dringen in de leefwereld van mensen. Hij noemt dat de ‘kolonisatie’ van de leefwereld door het systeem. Je kunt daarbij denken aan de invloed van geld op ons leven, of aan de manier waarop mobiele telefoons ons dwingen de hele dag met ons werk bezig te zijn.

De kolonisatie van de leefwereld door het systeem is dus tegelijkertijd een overwoekering van het communicatieve handelen (gericht op het tot stand brengen van gedeeld begrip) door het strategische handelen (gericht op beheersing en exploitatie van de wereld). Maar dat kán niet goed gaan, zegt Habermas, want strategisch handelen moet het in laatste instantie óók hebben van communicatief handelen.

Strategische actie moet immers sociaal worden gecoördineerd. Zowel voor het communicatieve als voor het strategische handelen zijn we aangewezen op gesprekken met elkaar en op taal. We zijn alleen maar in staat om onze strategische doelen te bereiken als we eerst tot gedeeld begrip komen. Het communicatieve handelen is dan ook primair, het strategische handelen is daarvan een afgeleide en dus secundair. In de woorden van Habermas: “Het bereiken van begrip is het meest oorspronkelijke doel van menselijke taal”, en dus niet beheersing of het bereiken van efficiency.

Het communicatieve handelen moet van Habermas dus alle aandacht krijgen, vanwege de twee genoemde redenen. Ten eerste omdat het hoort bij de leefwereld, en die zit in het gedrang omdat de systeemwereld zich opdringt. En ten tweede omdat het communicatieve handelen uiteindelijk ook de voorwaarde is voor het strategisch handelen van de systeemwereld. Om die redenen maakt Habermas uitgebreid werk van de vraag wat goede communicatie nu precies inhoudt.

De ideale gesprekssituatie

Dat doet hij door uitwerking van wat hij noemt ‘de ideale gesprekssituatie’. Daarmee bedoelt hij een model van dialogische betrokkenheid die het communicatieve handelen helpt om wederzijds begrip te realiseren. Centraal in deze notie van de ideale gesprekssituatie is het poneren en uitdagen van geldigheidsclaims. Dat wil zeggen dat, wanneer een persoon spreekt – in Habermas’ termen, wanneer die een taalhandeling verricht – die persoon de ​​luisteraars impliciet vraagt om akkoord te gaan met bepaalde aannames. Die aannames betreffen: ten eerste de feitelijke inhoud van wat de spreker zegt, ten tweede zijn gezag om te zeggen wat hij zegt, en ten derde, wat de spreker hoopt te bereiken door het te zeggen.

Als de luisteraar deze veronderstellingen niet deelt, dan zal de taalhandeling niet makkelijk leiden tot gedeeld begrip. Daarom moeten luisteraars de vrijheid hebben om die geldigheidsaanspraken – die veronderstellingen over feitelijke inhoud, gezag, en intentie – in twijfel kunnen trekken, om na te gaan of zij die wel accepteren. Over de eventuele meningsverschillen die er blijken te zijn kan dan worden onderhandeld zodat  overeenstemming ontstaat over de zaken waar gedeeld begrip van afhangt.

Voor Habermas is gedeelde overeenstemming, bereikt onder dit soort ideale overlegomstandigheden, de grondslag van de waarheid. Waarheid ligt voor hem dus niet in overeenstemming met een absolute, ergens objectief vastliggende werkelijkheid. Waarheid ligt in het bereiken van gedeelde leefwereld-overtuigingen onder partijen die daarover met elkaar op rationele wijze communiceren. Nogmaals Habermas’ kernzin: “Het bereiken van begrip is het meest oorspronkelijke doel van menselijke taal”.

Deze opvatting heeft iets zeer optimistisch: weliswaar zijn er geen voorafgaande, objectieve normen meer, zoals vroeger. Maar dat betekent niet dat normatieve legitimatie niet kan plaatsvinden. Integendeel, de normatieve legitimiteit van besluiten en acties komt voort uit de kwaliteit van de processen die leiden tot die beslissingen en acties. En die kwaliteit hebben we zelf in de hand, want die hangt af van de mogelijkheden voor alle betrokken partijen om zelf geldigheidsaanspraken te doen en geldigheidsaanspraken van anderen uit te dagen.

Habermas stelt dat voor een deugdelijk gesprek minimaal aan de volgende voorwaarden moet zijn voldaan:

  •  Ieder mens met de competentie om te spreken en te handelen mag deelnemen aan het gesprek.
  • Iedere deelnemer mag willekeuring welke bewering dan ook van een andere deelnemer ter discussie stellen
  • Iedere deelnemer mag welke bewering dan ook inbrengen in het gesprek.
  • Iedere deelnemer mag zijn opvattingen, verlangens en behoeften uitdrukken.
  • Geen enkele spreker mag belet worden, door dwang van binnenuit of van buitenaf, om zijn rechten uit te oefenen zoals hierboven vermeld.

Thema’s met relevantie voor management en organisatie

De  twee centrale thema’s van Habermas die zojuist in de Inleiding naar voren kwamen wil ik beide bekijken voor wat betreft hun relevantie voor management en organisatie. Het zal dus gaan over 1. de kolonisatie van de leefwereld door de systeemwereld en 2. de ideale gesprekssituatie.

Maar in de Inleiding kwam ook al naar voren dat misschien niet alle ideeën van Habermas zich zomaar lenen voor ongekwalificeerde koppeling aan management en organisatie. Voor een reis naar Parijs, maar ook voor non-profit organisaties zijn waarschijnlijk andere onderdelen van zijn theorie relevant dan voor een commercieel bedrijf. Het hangt er dus vanaf over welk segment van organisaties en welk soort management je het hebt. En over welk onderdeel van Habermas’ theorieën.

De vraag wat relevant is voor welk deel van management en organisatie zal daarom een aandachtspunt zijn bij de nu volgende bespreking van beide genoemde thema’s.

Kolonisatie van de leefwereld door de systeemwereld

Je kunt zeggen: Habermas’ theorie over de kolonisering van de leefwereld raakt vooral organisaties in de zorg en het onderwijs. Immers, de krachtigste geluiden dat professionals nauwelijks meer aan hun eigen werk – lees: leefwereldwerk – toekomen door de taken waar het management hen mee opzadelt, komen uit die sectoren.

Bijvoorbeeld in de zorg komen die geluiden van thuiszorgers en verpleegkundigen. Qua aard heeft hun werk oorspronkelijk veel leefwereld-karakteristieken. Ziekte en ouderdom grijpen diep in in de persoonlijke levenssfeer van de patiënt, en de zorg en verpleging die hij krijgt spelen zich voor een groot deel op dat terrein af. Maar met het oog op beheersing en management zijn hun werkzaamheden steeds meer geprotocolliseerd: voor iedere handeling staat een vast aantal minuten, zaken moeten precies volgens het boekje verlopen, en er moet ontzettend veel geadministreerd worden.

Die laatste elementen komen uit de systeemwereld, zij zijn gericht op beheersing en efficiency. In de beleving van veel zorgwerkers maken die elementen een te grote inbreuk op de leefwereld-aspecten van hun werk. Zij zijn niet de zorg ingegaan om zoveel mogelijk productie te draaien op een dag, of om zoveel mogelijk data te verzamelen. De meesten gingen dit werk doen vanwege de persoonlijke contacten die daar traditioneel bijhoren, en juist die leefwereldaspecten lijken door de systeemwereld te verkommeren.

Vanuit het onderwijs hoor je vergelijkbare geluiden: men ging ooit het onderwijs in vanuit het verlangen om jonge mensen te helpen in hun groei naar volwassenheid; en men wordt in toenemende mate gedwongen om zich bezig te houden met beleid en verantwoording.

Dat laat naar mijn idee zien dat Habermas’ thema van de tegenstelling tussen systeem en leefwereld in ieder geval relevant is voor de terreinen van zorg en onderwijs. Maar moet je nu ook zeggen dat die relevantie daartoe beperkt is, en dat zijn ideeën minder van betekenis zijn voor andere terreinen?

Dat is iets te gemakkelijk gedacht. Want het zijn misschien wel vooral de professionals uit de sectoren van de zorg en het onderwijs die zich roeren, maar het verschijnsel is niet tot hen beperkt. Ook professionals werkzaam in Research and Development of in de techniek of in productiebedrijven klagen regelmatig over de te ver doorgeschoten managerscultuur en missen de inhoudelijke betrokkenheid bij die managers. Alsof machines of koffie of medicijnen hetzelfde zijn, en alles te managen is als een koekjesfabriek. Beheersing is het enige wat telt, liefde voor het vak of de mensen waar je mee werkt telt niet meer, zo is het gevoel. Habermas heeft met dit thema dus iets te pakken dat wel degelijk grote delen van onze samenleving raakt.

Kunneman, een van de belangrijkste Nederlandse Habermaskenners, zegt erover in zijn Brief aan mijn leermeester: “De verschijnselen die in uw roemruchte analyse van de kolonisering van de leefwereld benoemd worden, met name de dominantie van economische prioriteiten en het wegdrukken van communicatief handelen door bureaucratie en deskundologie, zie ik dagelijks om me heen”. Het binnendringen van de systemen in de leefwereld leidt tot zingevingsproblemen en tot het verkommeren van de communicatieve processen die noodzakelijk zijn om de identiteit van individuen te ondersteunen, zo stelt Kunneman in navolging van Habermas vast.

Maar vervolgens maakt Kunneman twee kanttekeningen. De eerste is dat de toenemende technificering van onze communicatie, door gebruik van computers, telefoons en andere gadgets, beslist niet altijd verschraling van de communicatie hoeft in te houden en door mensen lang niet altijd als kolonisering ervaren wordt. Ook al vereist het onderwerping aan een bepaald technisch regime, het kan heel goed voor communicatief handelen worden ingezet. Dat bewijst Buurtzorg die haar medewerkers de wijk in stuurt met digital assistents waarin ze zelf, tussendoor, de minimaal vast te leggen gegevens kunnen registreren. Daardoor kon Buurtzorg fors besparen op de centrale administratieve ondersteuning, en het gevoel van autonomie bij de medewerkers werd erdoor versterkt.

Verder vraagt Kunneman zich af of het wel mogelijk is wat Habermas voorstelt, namelijk dat de kolonisering van de leefwereld opgeheven zou kunnen worden door het systeem ‘terug te dringen’ naar zijn eigen domein – de markt en de staatsbureaucratieën – en aldus te onderwerpen aan ‘normatieve controle vanuit de leefwereld’.

Dat vereist dat er inderdaad een scherpe scheiding te trekken valt tussen systeem en leefwereld, maar Kunneman betwijfelt dat. Ons leven speelt zich volgens hem eerder af in een groot, “uitdijend overgangsgebied, waar systeem imperatieven en leefwereldverwachtingen tegelijkertijd van kracht zijn en permanent om de voorrang strijden. Een steeds groter deel van het leven van hedendaagse individuen speelt zich af in dergelijke overgangsgebieden. Daarbinnen is zowel sprake van de dominantie van economische krachtenvelden en deskundologisch beheerde expertsystemen als van zingeving en identiteitsonontwikkeling aan de kant van de betrokken individuen in steeds verschuivende verhoudingen”.

Te denken dat je de twee sferen netjes van elkaar kunt onderscheiden en de een normatief kunt maken voor de ander is misschien wel een vorm van simplistisch en inmiddels achterhaald vooruitgangsgeloof, aldus Kunneman. In ieder geval kan hij er zelf niet meer in geloven.
 

De ideale gesprekssituatie

Wat is de relevantie voor management en organisatie van Habermas’ aandacht voor de ideale gesprekssituatie?

Het ligt voor de hand om te denken dat die aandacht vooral van belang is voor de overheid of maatschappelijke organisaties, niet zozeer voor bijvoorbeeld het particuliere bedrijfsleven.

Je vindt die aandacht inderdaad ook primair terug bij de overheid en grote maatschappelijke organisaties. Dat heeft uiteraard alles te maken met de basis van onze staatkundige ordening: wij zijn een democratie en willen nadrukkelijk democratisch te werk gaan. Publieke communicatie over uit te voeren beleid en publieke verantwoording over gevoerd beleid zijn basale uitgangspunten van dat bestel, en wat is dat anders dan gespreksvoering? En juist omdat we dat democratisch willen doen put de overheid zich al decennia uit in pogingen om het gesprek tussen de overheid en de burger te intensiveren, te verfijnen, te verdiepen. Denk aan inspraakmogelijkheden, aan de wet openbaarheid van bestuur, aan ombudsinstanties.

Zo bezien hoort het thema van de ideale gesprekssituatie dus primair thuis in het openbaar en semi-openbaar bestuur. Maar je kúnt het veel breder trekken en Habermas’ ideeën van toepassing verklaren op management in het algemeen, ook binnen het particuliere bedrijfsleven. Habermas zelf is daar voorstander van en dat is ook wat bijvoorbeeld de bedrijfsleider annex organisatiekundige Mick Fryer propageert in zijn artikel Facilitative leadership; drawing on Jürgen Habermas’ model of ideal speech to propose a less impositional way to lead.

Hij heeft het daarin over leiderschap in organisaties, over de volle breedte van het veld van organisaties: publiek, privaat en alles wat er tussenin zit. Want, zegt hij, niet alleen de overheid, maar wij allemaal in onze hedendaagse Westerse samenleving, worden gevoed door geestelijke bronnen die uitnodigen tot een communicatief ingestelde stijl van leiderschap. Waar je ook werkt in de Westerse wereld, er is een soort vanzelfsprekende instemming met democratische principes.

En ook binnen het bedrijfsleven kunnen management en organisatie daar tastbaar hun voordeel mee doen. Er zijn, aldus Fryer, overtuigende business-cases op te stellen die efficiency voordelen aantonen van democratische organisatorische praktijken ten opzichte van traditionele, hiërarchische leiderschapspraktijken. En inzichten op het gebied van human relations management staan bol van pleidooien om het gesprek met medewerkers te intensiveren.

Citaat: “If hard-bitten pragmatists like Peter Drucker are also preaching the need for participative organizational forms, there may be something for facilitative leadership to hook on to”. Voor Fryer zijn er dus voldoende redenen om Habermas’ aandacht voor de ideale gesprekssituatie in te brengen in de leiderschapsdiscussies bij commerciële bedrijven. En ik volg hem even in zijn pleidooi om het thema van de ideale gesprekssituatie te beschouwen als relevant voor de hele breedte van het veld van management en organisatie.

Om aan te geven dat hij het utopische karakter van de ideale gesprekssituatie wel onderkent citeert hij John Forester: “The obvious fact that an ideal speech situation is never practically realized – that communication is always imperfect – does not yet mean that the analytic concept has no relevance at all”.

En hij komt meteen met bezwaren die je kunt inbrengen tegen het formeel democratisch overleggen met je medewerkers. We moeten niet onderschatten, zegt hij, hoe dominant een leider kan zijn voor medewerkers, zelfs als hij kiest voor de meest open vormen van leiderschap. Mensen durven niet zomaar te zeggen wat ze denken, ook al worden ze daar nadrukkelijk toe uitgenodigd.

Een ander mogelijk bezwaar is dat de leiders zich wel kunnen onderwerpen aan Habermas’  spelregels voor een goed gesprek, maar je kunt er niet zomaar vanuit gaan dat degenen die leiderschap van hen verwachten dat ook zullen doen. Deelnemers aan het overleg willen misschien hun emotionele bindingen niet terzijde schuiven of hun verborgen agenda’s niet  benoemen. Je kunt daar so wie so niemand toe dwingen, maar aanmoedigen kan wel. Maar hoe vrij laat je mensen dan nog?

Wat wel mogelijkheden biedt, denkt Fryer, is IT. “IT zou weleens ondersteuning kunnen bieden voor steeds verfijndere methoden van gecentraliseerde controle en heimelijk toezicht op de werknemers, maar het kan ook, in handen van leiders die meer tot gesprek geneigd zijn, innovatieve manieren bieden om de communicatie te democratiseren”.

“IT zou kunnen bijdragen aan een verschuiving van gesprekskanalen, weg van conventionele, strak rationele vormen van gesprek, naar gespreksvormen met een grotere mate van anonimiteit, wat niet mogelijk is in face-to-face of voice-to-voice ontmoetingen. Daardoor kunnen degenen die zich niet sterk voelen in het gesprek of die hiërarchisch kwetsbaar zijn en daardoor beletsel voelen om ten volle aan het gesprek deel te nemen, meer geneigd zijn om de geldigheidclaims uit te dagen die door hun beter gebekte collega’s worden gedaan en ook om hun eigen aanspraken te introduceren in de communicatie”.

Fryer gelooft er dus wel in, ook voor het bedrijfsleven.

Uitgewerkt voor de communicatie tussen overheid en burger is er een door Habermas geïnspireerd model te vinden in Pröpper en Steenbeek in hun boek over De aanpak van interactief beleid. Ook dat slaat een realistische toon aan door aan te geven dat elke situatie anders is en dat niet iedere gelegenheid waarin overheid en burger met elkaar te maken hebben zich leent voor het creëren van de ideale gespreksvoorwaarden. Afhankelijk van de situatie kan de burger het met minder participatie moeten doen. Maar volledige participatie en interactie behoren tot de mogelijkheden, in de geest van Habermas.

Bij andere Habermas commentatoren overheerst scepsis. Jan Dirk Snel vat het communicatieve handelen van Habermas op als een project van de Verlichting, waarin Habermas probeert het idee van rationaliteit uit te breiden tot ver buiten de wetenschap. Zo ongeveer alles wat mensen beweren is rationeel te toetsen, ook als het gaat om verhoudingen binnen een gezin of over seksuele voorkeuren. Er is in principe geen onderwerp dat niet via de ideale gesprekssituatie te bespreken zou zijn. Is dat ook geen inbreuk op de leefwereld?

Simonka de Jong vindt dat Habermas daarmee zijn universalistische rationalisme wel ver doorvoert. “Hij meent dat iedere taalgebruiker die een ander probeert te overtuigen impliciet de regels van de ideale gesprekssituatie heeft aanvaard. Habermas veronderstelt dat iedereen de woorden van een spreker hetzelfde zal interpreteren. Hiermee onderschat hij de invloed van misverstanden en onbegrip op de communicatie. Taal is niet altijd doorzichtig”.

En opnieuw Harry Kunneman, in Brief aan mijn leermeester: “Langzamerhand krijg ik onvrede met uw volslagen gebrek aan aandacht voor lichamelijkheid, voor emoties en voor ‘bestaansknopen’; voor existentiële ‘klemsituaties’ waarin zowel het eigen bestaan als de eigen tong in de knoop zijn geraakt. Recht op eigenheid onderkent u wel, in de vorm van het onvervreemdbare recht op dissensus, maar dat recht kan volgens uw analyse alleen in discussies met anderen uitgeoefend worden en vereist dus argumenten, het veronderstelt met andere woorden al inzicht en talige articulatie. Het vertrouwen dat u stelt in therapeuten en gesprekken in het algemeen, is exemplarisch voor het rationalistische wereldbeeld van de actor, van de handelende persoon, dat uit uw theorie van het communicatieve handelen oprijst”.
 

Onveilig bij

Laten we maar gewoon vaststellen: zulke verfijnde communicatie, dat is toch ideaal? Dit is toch het communicatieve evangelie?
 

Ultiem vertrouwen in de zelfreinigende werking van de rede

Toch vertrouw ik het niet. Ik heb minder vertrouwen in het zelfreinigend vermogen van de rede dan Habermas.

De gedachte is: als je gesprekssituaties maar voldoende degelijk en uitgebreid organiseert en voorziet van terugkoppelmechanismen, dan komt daar authentieke communicatie uit. Habermas gelooft ook in de mogelijkheid om langs die weg je eigen illusies en blinde vlekken te ontdekken.

Dat geloof ik gewoon niet. Daarvoor heeft de rede te veel blinde vlekken en euforisch geloof in zijn eigen kunnen. Dat zou weer te maken kunnen hebben met wat Kunneman zegt in zijn Brief aan mijn leermeester: het is intellectueel allemaal heel doortimmerd wat u doet, maar er spreekt een bijna wanhopig verlangen uit naar zekerheid, verankering en onwankelbare fundamenten. Juist een dergelijk verlangen maakt mensen vatbaar voor de listige illusies van de rede.

Stanley Fish zegt daarover: “What secular reason is missing is self-awareness. It is ‘unenlightened about itself’ in the sense that is has within itself no mechanism for questioning the products and conclusions of its formal, procedural entailments and experiments”.

Je kunt in Habermas’ optimisme over meninguitwisseling een parallel zien met het klassieke en neoliberale geloof in de vrije economische markt: laat iedereen zo veel mogelijk zijn gang gaan en de onzichtbare hand van de vrije markt zorgt voor een optimale verdeling van goederen, heldere prijzen en toenemende welvaart voor iedereen. Eenzelfde soort optimisme zou bij Habermas aan de orde zijn, maar dan betreft het een onwankelbaar geloof in de vrije markt van meningen: laat die zo ongestoord en optimaal mogelijk functioneren, haal alle remmingen weg en iedereen vaart er wel bij.

Van de economische vrije markt weten we allang dat het zo niet werkt. Voor de markt van vrije meningsuitwisseling zie ik ook te veel wishful thinking.
 

Levinas

Levinas gelooft ten dele ook in de kracht van de zoekende dialoog en de corrigerende werking die daarvan uit gaat. Maar niet in dezelfde mate als Habermas. Levinas gelooft niet dat je miscommunicatie en kwetsing in de communicatie vóór kunt zijn. Daarvoor is het autistische en zelf-misleidende karakter van de rede simpelweg te groot. Dus de grootschaligheid en gedetailleerdheid van Habermas’ maatregelen doen vanuit het perspectief van Levinas een beetje grotesk aan. Je kunt een heel eind komen met je eigen maatregelen, aldus Levinas, maar je zult er door de ander toch steeds op betrapt worden dat je, met al je goede bedoelingen, te ver bent gegaan. Communicatie is niet zo maakbaar als Habermas gelooft, het blijft een waagstuk.

Neiging tot overspanning die daarmee samenhangt: nadruk op eigen werkzaamheid en autonomie

De nadruk op de maatregelen voor het creëren van de ideale gesprekssituatie legt een zware druk op het communicerende individu: je moet zo ontzettend veel. Zie bijvoorbeeld de volgende selectie van maatregelen die zijn te destilleren uit Fryer:
-  Je moet je proactief  engageren met andere sprekers op hún termen.
-  Je moet een houding van verwondering kweken bij jezelf, die ontvankelijkheid stimuleert voor de standpunten van anderen.
-  Je moet onbeperkt toegankelijke communicatie-gemeenschappen creëren.

Ik ben er wel voor, voor elk van die maatregelen. Maar je kunt er ook heel moe van worden. Het is erg activistisch en het moet allemaal vanuit het ik komen.
 

Levinas

Daartegenover biedt Levinas, ondanks zijn gestrenge reputatie, een soort ontspanning. Als het zo is dat jouw eigen maatregelen toch nooit afdoende zullen zijn, dat je niet alle miscommunicatie vóór kunt zijn, dan gaat daar ook een soort geruststellende werking van uit.

Ga er maar vanuit, zegt hij, dat de ander jou signalen geeft over waar je te ver ging en hem gekwetst hebt. Waarschijnlijk over dingen die je zelf niet had kúnnen verzinnen, al had je er een maand de tijd voor gehad.

Zorg wel, zegt Levinas, dat je er op zo’n moment bent. Want daar gebeurt echte communicatie: je leert iets wat je nog niet wist. Maar daar hoef je niet een complete ideale gesprekssituatie voor op te tuigen.

Tegenover het activistische van Habermas stelt Levinas dus een zekere passiviteit, want die gaat vaak gepaard met ontvankelijkheid voor de signalen van een ander. Dit sluit aan bij een uitspraak van Kunneman: “Zelfverheldering heeft veel met passiviteit van doen”.
 

Weigering van of onmacht tot communicatie

Een laatste punt van onveiligheid dat ik bespeur betreft de normativiteit die aan de basis ligt: gij zult communiceren. Maar wat als mensen communicatie weigeren of niet kúnnen communiceren?

Het ideaal-model van Habermas, kun je zeggen, is het gymnasium of de gentleman-debating club. Het idealiseert de beschaafde omgang met begrijpende mede-gymnasiasten en intellectuele gesprekspartners. Jan Dirk Snel ziet dat als een duister punt in Habermas’ theorie: mensen kúnnen wel beschaafd met elkaar omgaan, maar waarom zouden ze het ook doen? Habermas adviseert ‘blijf in gesprek’ – maar wat als mensen dat niet willen?

Waarom zouden we niet lui mogen zijn in de communicatie, of überhaupt lui? Waarom zou iemand niet veel meer mogen slapen of doen wat Bartleby doet? Die vragen onttrekken zich aan het discours van Habermas.
 

Levinas

Levinas laat een gaatje open: het kan zijn, zegt hij, dat we de ander echt niet begrijpen in diens weigering. Dat de rede werkelijk ontoereikend is. Voor Levinas is het waagstuk-karakter van communicatie dus veel groter dan voor Habermas, en dat treft mij soms als zeer juist.
 

Habermas naast Levinas

Samenvattend zou je voor een vergelijking van Habermas en Levinas de volgende punten kunnen noemen.

  • Allebei houden ze van de rede. Levinas is zeer gehecht aan de orde die wij dankzij de rede weten te creëren: we hebben democratische staatsinstellingen, rechtspraak en wetenschappelijke instituten. Maar tegelijkertijd is hij gereserveerd: de rede produceert ook aan de lopende band illusies, en er is iets anders dan rede voor nodig om die te ontmaskeren. Habermas stelt even groot belang in de instituties die de Verlichting ons heeft opgeleverd. Ook hij heeft tegelijkertijd oog voor de imperialistische werking van de rede maar, anders dan Levinas, gelooft hij dat die te bestrijden is met diezelfde rede. Namelijk door een steeds subtieler gebruik daarvan.

  • De ware dialoog kan bij Habermas bereikt worden door het systematisch toepassen van methodiek. De ware dialoog bij Levinas impliceert vaak een verrassingselement, juist omdat de ander altijd anders is dan je zelf zou kunnen verzinnen.