Home
Home





English





Workshops





Teksten/

Artikelen





Contact





Naud van der Ven





NB: zijn de teksten niet netjes leesbaar?
Probeer een ander merk browser, bijvoorbeeld Firefox.

Klik hier
                  voor blogberichten




Werk en Reflectie over Karl Popper


Een telegram van twee woorden bracht Karl Popper in 1943 bijna in de problemen. “Prefer ennemies”, had hij zijn uitgever geschreven, waardoor een Britse censor meende van doen te hebben met een bericht van een heimelijke nazi-sympathisant. Niets was minder waar: in het telegram maakte Popper slechts bezwaar tegen het voornemen van uitgever Routledge om zijn manuscript uit te brengen als “The Open Society and Its Opponents”. Het laatste woord was hem te gematigd. Popper schreef niet tegen een ‘tegenstander’, maar tegen ‘de vijand’.

Uit deze anekdote kan blijken dat de filosoof Popper zich intensief betrokken voelde bij het militaire en politieke wereldgebeuren van zijn tijd. Dat komt ook al naar voren uit zijn biografie, vanaf zijn jonge jaren tot aan zijn dood. Die betrokkenheid manifesteerde zich als een zorg om het democratische gehalte van politiek en samenleving, die hij zelf, onder andere in de titel van dat boek, benoemde als de mate van openheid van een samenleving. Aangezien ‘de samenleving’ ook organisaties omvat is ‘Openheid en geslotenheid’ voor vanavond een belangrijk thema.

Maar bij Popper was er aan deze scherpe politieke stellingname van de jaren veertig het nodige voorafgegaan. In de jaren dertig had hij zich minder met politiek en meer met kennisleer bezig gehouden, en in Logik der Forschung (1934) had hij zijn belangrijkste inzichten op dat gebied vastgelegd. Die inzichten zijn te vatten onder de noemer van het belang van permanent leren, op theoretisch gebied via falsificatie van hypothesen en op praktisch gebied via piecemeal engineering. Daarom is permanent leren een tweede thema van vanavond, waarbij zal blijken dat er een rechte lijn loopt van de kennis- en leeropvattingen van Popper naar zijn verzet tegen gesloten politieke systemen.

Daarbij houd ik de volgorde aan die Popper zelf doorliep: eerst de inzichten op het terrein van kennis en leren, daarna zijn opvattingen over openheid en geslotenheid.

Permanent leren via falsificatie

Het vergroten van het domein van kennis is te beschouwen als het doel van alle wetenschap. Dat Popper nadrukkelijk dat doel nastreefde maakt hem dus niet bijzonder, maar wel zijn gedachten over de manier waarop dat doel bereikt kan worden.

Tot diep in Poppers tijd, en op sommige plekken ook nu nog wel, was het gangbaar om te denken dat kennisverwerving plaatsvindt via een proces van verificatie: wetenschappers stellen op basis van een aantal waarnemingen een hypothese op en proberen die vervolgens de status te geven van een betrouwbare theorie door feiten te verzamelen die de hypothese bevestigen. De gedachte is daarbij: hoe meer ondersteunende feiten je kunt verzamelen, des te betrouwbaarder wordt je oorspronkelijke stelling.

Popper stelt daartegenover dat we wetenschappelijke kennis eigenlijk alleen maar kunnen verkrijgen door hypothesen en theorieën bloot te stellen aan kritiek. Dus niet verificatie, maar juist falsificatie leidt tot werkelijk nieuwe inzichten, en onder falsificatie verstaat Popper: het opsporen van fouten, het volmondig accepteren daarvan en het op basis daarvan eventueel verwerpen van de hypothese of theorie. De wens om ten koste van alles een stelling overeind te willen houden leidt tot dogmatisme en stagnatie van kennisgroei volgens Poppers opvatting.

Een consequentie van deze opvatting van wetenschap is dat een stelling niet juist is doordat die vaak door waarneming is bevestigd, maar doordat die stelling zo geformuleerd is dat die makkelijk door een negatieve waarneming ontkracht kan worden. Beroemd is zijn voorbeeld van zo’n goede stelling: “Alle zwanen zijn wit”. Dat is een goede wetenschappelijke stelling, niet omdat je al zo veel waarnemingen gedaan hebt die de stelling bevestigen; maar omdat de waarneming van één zwarte zwaan volstaat om de stelling van tafel te vegen. Een stelling is beter naarmate hij meer falsifieerbaar is.

Dus, stelt Popper, hoe komen we vooruit in de wetenschap? Door onze fouten te ontdekken en te corrigeren. En hoe doen we dat? Door de theorieën en gissingen van anderen aan kritiek te onderwerpen en door, als wij ons erin kunnen oefenen dat te doen, onze eigen theorieën en gissingen aan kritiek te onderwerpen. Het laatste is zeer gewenst, zegt Popper, maar niet noodzakelijk, want als wij zelf niet onze theorieën aan kritiek onderwerpen, kan het zijn dat anderen dat voor ons doen. Dit standpunt vat Popper samen onder de naam ‘kritisch rationalisme’.

Voor de duidelijkheid: kritiek hoeft niet per se verwérping van een stelling te betekenen. Commentator Aart Brouwer zegt daarover: “Men denkt bijvoorbeeld dat falsificatie voor Popper hetzelfde betekent als eliminatie, dat wil zeggen dat een theorie als geheel moet worden afgewezen als hij op een onderdeel niet blijkt te kloppen. Maar dat propageerde Popper niet, hij vond dat je die theorie in zo’n geval moest aanscherpen zodat hij rekening hield met de nieuwe bevindingen”.
 

Permanent leren via piecemeal engineering

Poppers nadruk op het belang van falsificatie vereist de bereidheid om voortdurend je inzichten te herzien. Alle kennis heeft bij Popper daarom een sterk voorlopig karakter. Dat betekent dat je, bij toepassing van die kennis in de samenleving, voortdurend de vinger aan de pols moet houden om signalen op te vangen over de deugdelijkheid van die kennis. Want op basis daarvan stel je kennis bij en vervolgens ook de toepassing daarvan. Dat vereist wendbaarheid, openheid, en vooral: kleine stapjes die je zet bij de inzet van kennis voor hervormingen en veranderingen in de samenleving. Dat kan niet anders dan geleidelijk gaan, via processen van trial and error en van piecemeal engineering (stapsgewijze constructie), en niet via het ontwerpen van een Grand Design dat vervolgens over de samenleving wordt uitgerold.

Er zit een sterk anti-autoritaire trek aan deze kennisopvatting. Want in de geschiedenis blijkt er een verband te bestaan tussen enerzijds de gedachte dat kennis absoluut zeker kan zijn, zoals bijvoorbeeld de zeventiende eeuwse geleerden beweerden, en anderzijds een geloof in absoluut zekere bronnen van kennis. Of dat nu de Bijbel is, of de waarneming of de ratio (het 17e-eeuwse repertoire), ze hebben met elkaar gemeen dat ze voor hun aanhangers een absoluut gezag hadden. Hoe meer gezag de kennisbron had, des te betrouwbaarder werd de kennis geacht. In die tijd gooide men dus vragen naar de oorsprong van kennis op één hoop met vragen naar de geldigheid van kennis. Maar die twee moet je scheiden, vindt Popper. Omwille van de kwaliteit van de kennis, maar ook om niet terecht te komen in een blind geloof in autoriteit van iets of iemand.
 

Openheid en geslotenheid

Gewapend met deze opvattingen over kennis betreedt Popper het politiek-historische vlak, onder andere met zijn boek The Open Society, maar ook met The Poverty of Historicism. Popper zegt in die boeken: zoals we in onze omgang met kennis in het algemeen bereid moeten zijn om af te zien van absolute zekerheid en onze opvattingen voortdurend moeten leren bijstellen, zo moeten ook politici de slechte gewoonte afleren om hun kiezers zekerheid te willen bieden. Want die is niet te bieden. Politici moesten volgens Popper dan ook niet beoordeeld worden op hun visie op de toekomst of hun gave om die te voorspellen. Verkiezingen zijn bij hem geen legitimatie voor de volgende regering, maar een beoordeling van de vorige. Bij ons zou Verantwoordingsdag, de derde woensdag van mei, dus belangrijker moeten zijn dan de derde dinsdag van september, Prinsjesdag.

Dus de vraag op het politieke vlak moet, volgens Popper, niet meer luiden: welke vergezichten en Grand Designs kunnen wij onze kiezers voorschotelen. Want dat leidt snel tot tunnelvisies en taboes op kritiek en debat en dus tot geslotenheid. De grote vraag wordt nu eerder procedureel: hoe moeten wij onze politieke instellingen organiseren, zodanig dat slechte en incompetente regeerders niet te veel kwaad kunnen aanrichten? En: hoe kunnen wij een situatie van openheid bewerkstelligen, dat wil zeggen een situatie waarin we onszelf toestaan onze fouten te ontdekken en te corrigeren?

De filosoof Ger Groot stelt dat de intellectuele openheid die Popper tot norm maakt voor de wetenschap ook Poppers norm wordt voor de politiek. Blijkt beleid niet te werken dan zal de politicus idealiter niet aarzelen zijn politiek over een andere boeg te gooien, in het besef dat hij de situatie kennelijk niet juist had geanalyseerd. Groot voorziet deze benadering van politiek van een kritische vraag. Want, in hoeverre valt er politiek te experimenteren? Enerzijds ziet Groot daarbij het probleem dat politiek niet waardevrij is en niet alleen over beheersmatige zaken gaat. Politici hebben idealen, ze willen ergens naartoe. Anderzijds, zegt Groot, is de samenleving een zo complex geheel dat daarvoor op grond van enkelvoudige experimenten geen koers valt uit te zetten. Moet je daar af en toe het experimentele ingenieurs- en beheerswerk niet inruilen voor de grote greep?

Bij dit commentaar van Groot moest ik denken aan een recente column in NRC van Marike Stellinga, die zij als volgt afsloot: “Deze week besloot de nieuwe baas van het CPB, Laura van Geest, de doorrekening van verkiezingsprogramma’s minder ambitieus te maken. In de brief die ze schrijft aan de Tweede Kamer proef je het ongemak over de invloed van het CPB op het beleid van politieke partijen. Aan politici de schone taak om daar anders mee om te gaan. Om het lef te hebben om te zeggen: het CPB kan deze maatregel niet doorrekenen, het effect op de werkgelegenheid of de welvaart is onbekend, maar we doen het tóch. Omdat we het belangrijk vinden. Daar kunnen kiezers best mee omgaan. Sterker nog, het lijkt een zegen”.

[In dat kader heb ik een vraag aan Ronald: zou de Noord-Zuidlijn er gekomen zijn als Poppers pleidooi voor volkomen open en doorzichtige besluitvorming in acht genomen was?]

Twee andere commentatoren, René Gude en Pieter Pekelharing, stellen dat veel van Poppers opvattingen, zoals over het belang van behoedzaam en verantwoord experimenteel te werk gaan, in de samenleving breed aanvaard zijn en worden toegepast. Maar zij wijzen ook op symptomen van onvrede daarmee.

Gude zegt: Poppers scepsis en zijn oproep tot kritiseerbaarheid is eigenlijk niet meer dan een elegante formulering van common sense. Je kunt er totalitaire waanideeën mee onschadelijk maken, maar daarom is het nog geen filosofisch systeem. Daarna kan het echte denken pas beginnen, maar juist daar hield Popper op. “Popper is een geestelijk ontsmettingsmiddel geworden, een soort politieke Dettol om alle richtinggevende idealen in de politiek te neutraliseren. Hij staat voor een eeuwige, belangeloze scepsis die we op het ogenblik volgens mij spuug- en spuugzat zijn”.

Pekelharing wijst op het gevaar dat Popper met zijn pragmatische ingenieursbenadering de veelstemmigheid van de samenleving en de veelheid van onderling botsende gezichtspunten onderschat. Dat vereist veel moeizaam onderhandelingswerk, en daar hoor je Popper niet over. En dus ook niet over het gevaar dat zo’n moeizame open samenleving moe wordt van zijn eigen openheid. “Wat te doen in een tijd dat het liberale project van binnenuit zijn aantrekkelijkheid verliest en kwetsbaar wordt voor precies die vrijheden die het verdedigen wil? Leven we niet ook nu in zo’n tijd?” zo roept Pekelharing uit.
 

Thema’s met relevantie voor management en organisatie

Zijn de bovengenoemde popperiaanse thema’s te verbinden met trends in management en organisatie?

Naar mijn idee wel, en dat heeft er veel mee te maken dat Popper, volgens zijn vriend en biograaf Bryan Magee, het leven ziet als een proces van probleemoplossing. Filosofisch is dat volgens anderen al gauw een beetje armoedig, maar het maakt wel allerlei verbindingen mogelijk tussen zijn denken en een praktijkveld zoals management en organisatie.

Twee organisatiekundige trends wil ik belichten die je popperiaans geïnspireerd zou kunnen noemen. Als eerste het thema van permanent leren, via falsificatie en piecemeal engineering, dat doorwerkt in de Lean managementfilosofie. Als tweede het thema van openheid en geslotenheid dat is terug te vinden in diverse trends die erop gericht zijn om organisaties transparanter te maken.
 

Permanent leren, via falsificatie en piecemeal engineering

In het afgelopen jaar heb ik de cursus “Lean Practitioner voor de Overheid” gevolgd. Die liep deels gelijk op met wat ik ter voorbereiding op deze inleiding las over Popper, en het viel me op hoeveel verwantschap er is tussen het gedachtengoed van Popper en dat van Lean. Overigens zonder dat hij met zoveel woorden genoemd wordt, maar dat kan juist een indicatie zijn van de mate waarin zijn ideeën gemeengoed geworden zijn.  

Ik noem de volgende kenmerken van Lean, in de Lean-literatuur geformuleerd als raadgevingen, waarvan het gemakkelijk is de echo van Popper erin te horen doorklinken:

  • Begin klein en bescheiden, niet via een groots ontwerp. Niet dat je per se kleinschalig wilt werken, maar wel via kleine stapjes zodat elke stap kan worden getoetst aan de doelstellingen.
  • Problematiseer haperingen die je tegenkomt in de organisatie van het werk, en  beschouw die problematisering als iets positiefs. Bij Lean wordt dat systematisch ingezet via de zogenaamde “A3’s”; Popper stelt dat je via probleemstellingen, voorlopige oplossingen en weerleggingen daarvan tot de beste kennis komt.
  • Schroom niet om fouten te maken, want daar leer je van; maak trial en error tot je uitgangspunt, dan zal je kennis langzaam maar zeker groeien.
  • Gebruik je vergissingen om tot betere ideeën en hypothesen te komen.
  • Streef naar permanent leren en verbeteren.


Transparante organisaties

We hebben gezien hoe op het politieke vlak, wat Popper betreft, de vraag naar vergezichten en Grand Designs moet plaatsmaken voor een andere vraag. Namelijk: hoe kunnen wij onze politieke instellingen zodanig organiseren dat slechte en incompetente regeerders niet te veel kwaad kunnen aanrichten?

Een echo hiervan is naar mijn idee te beluisteren in het streven van sommigen naar  transparante organisaties. Niet meer dan een zwakke echo overigens, want waar in het openbaar bestuur slecht en incompetent bestuur evident onaanvaardbaar zijn, wordt die onaanvaardbaarheid voor bedrijven en organisaties wat troebeler omdat in een aantal gevallen die incompetente bestuurders ook de eigenaren zijn.

Niettemin is transparantie, met als doel wanbeheer en misstanden te verminderen, ook binnen management en organisatie een doel waar regelmatig naar verwezen wordt. Dat kan in de volgende trends tot uitdrukking komen:

  • Pogingen van managers om zoveel mogelijk informatie over hun organisatie in jaarverslagen onder te brengen, tot aan salarisinformatie en inspanningen voor duurzaamheid toe.
  • Pogingen van managers en consultants om organisaties platter te maken, zodanig dat de hiërarchie van posities minder zwaarwichtig wordt en dat er meer en betere communicatie plaatsvindt tussen alle lagen van een organisatie.
  • In het verlengde daarvan: zodanige inrichting van kantoren en werkplekken dat de communicatie tussen medewerkers onderling zo soepel mogelijk verloopt en geheime agenda’s het moeilijk krijgen.

Inderdaad, deze trends zijn waarneembaar zonder dat de dragers ervan Poppers naam in de mond nemen. Maar zij handelen wel in zijn geest, en dat dat gebeurt zonder dat Popper genoemd wordt kan er nogmaals van getuigen hoezeer zijn ideeën gemeengoed zijn geworden. Tegelijkertijd moet de schaal waarop bovenstaande trends naar transparantie zich voordoen in management en organisatie niet overdreven moet worden.
 

Onveilig bij

Samenvattend kun je zeggen: alles bij elkaar doen Popper’s ideeën over kennisverwerving  en openheid sympathiek aan. Op het filosofische vlak leiden zij tot mogelijkheden om dogmatiek en drogredeneringen te bestrijden, en op het vlak van management en organisatie tot prettig-bescheiden verbeterprogramma’s en inspanningen voor meer transparantie.

Jullie weten dat een overkoepelende thema van deze reeks inleidingen is: het gegeven dat ik me bij een gemiddelde Westerse filosoof niet thuis voel. Van jullie mag ik het daarover hebben. Nu lijkt het erop, gezien het sympathieke profiel van Popper dat we net langs liepen, dat ik weinig te klagen zou moeten hebben over onveiligheid.

En deels is dat ook zo. Ik herken veel van de beeldenstormachtige woede van Popper tegen voor waar aangenomen gevestigde wetenschappelijke praktijken, met diepe wortels in de Westerse filosofie. Bijvoorbeeld als hij stelt, in de woorden van Bryan Magee, dat het een diepgaande dwaling is “om te proberen wat wetenschapsmensen en filosofen bijna altijd hebben geprobeerd, namelijk de waarheid van een theorie bewijzen, of ons geloof in een theorie rechtvaardigen”, want dat is logisch onmogelijk.

Daarnaast gaat Popper ook op het politiek-maatschappelijke vlak tekeer tegen Plato, Hegel en Marx. Dat zijn niet de eerste de besten uit de filosofische traditie, dus met hen, zo zou je kunnen zeggen, staan vitale onderdelen van die traditie in de beklaagdenbank. En wel precies vanwege het ideologisch-rationalistische geweld dat ze uitoefenen. Wat wil ik nog meer? Is hier voor mij nog wel iets om me onveilig bij te voelen?

Niets werkelijk nieuws te leren

Toch wel. Want Popper wijst weliswaar het zware rationalisme van Plato en Descartes af, waarin de rede wordt opgevat als almachtig. Maar hij sluit aan bij het rationalisme van Socrates. Commentator Ger Groot meent dat Poppers ideale wetenschapper te beschouwen is als een hedendaagse incarnatie van de sceptische Socrates. En Socrates’ rationalisme is zonder meer een stuk bescheidener – en volgens Popper filosofischer en liberaler – dan dat van Plato en Descartes. Maar het blijft problematisch genoeg voor mij om me onveilig bij te voelen. Om dat duidelijk te maken moet ik het even hebben over Socrates.

Schematisch gezien gaat het bij Socrates om de volgende uitgangspunten:

  • Er is de gedachte dat er ten diepste één waarheid is en ieder van ons draagt de toegang daartoe ergens in zich.
  • Filosofie is de kunst die zich oefent in het naar boven halen van die waarheid. Hierbij is het beeld van de vroedvrouw dat Socrates hanteert veelzeggend. Zoals een kind feitelijk voor de geboorte er al is en alleen maar naar buiten hoeft te worden gebracht om tot volledige aanwezigheid te komen, zo ligt de ware kennis al diep in ieder mens verborgen en hoeft slechts door goed gemikte vragen van een filosoof tot leven gewekt te worden.
  • In dat naar boven halen van de waarheid – zeg maar: in het vervullen van de rol van vroedvrouw – zijn sommige mensen beter dan andere. Die vaardige mensen kunnen zich inzetten om bij de minder vaardige mensen de waarheid naar boven te halen.

Dat resulteert in het volgende adagium dat naar mijn idee model staat voor het denken van Socrates: “Je ziet het misschien nog niet, maar dat komt nog wel. En als het niet komt, dan helpen wij, de deskundigen, je wel om het te gaan zien”.

Dit adagium kan verklaren waarom veel van de dialogen van Socrates zo’n pedant karakter hebben. Via quasi-open ondervraging bracht hij zijn gesprekspartners op het punt dat hij al lang van te voren had bepaald als het punt waarop hij wilde uitkomen. De managementdenker Chris Argyris zegt daarover: “Massa’s mensen hebben Socrates bestudeerd en zien hem als iemand die erg ontvankelijk was voor nieuwe ideeën. Maar hoe kan Socrates ons helpen als we werknemers willen leren om zich open op te stellen? Als je je wat meer in hem verdiept, zie je dat hij vooral iemand was die fantastisch kon manipuleren. Wij kunnen dat voorbeeld niet zomaar navolgen, dus daar heb je niet zoveel aan”.

Pedant en manipulatief. Dat is wel een heel andere kijk op dat kritische rationalisme, waarin Popper en Socrates elkaar kennelijk vinden. Deze variant van rationalisme, die toch een stuk bescheidener en daardoor sympathieker lijkt te zijn dan het zware rationalisme van Plato en Descartes, blijkt op zijn beurt tekort te schieten.

Want het is zeer de vraag of dat kritische rationalisme in staat is om iets werkelijk nieuws aan te boren. Eigenlijk geeft Socrates het antwoord al: echt filosoferen is als maieutiek, dat wil zeggen, de kunde van de vroedvrouw. Het kind is er al en hoeft alleen maar naar buiten te worden gebracht om tot volledige aanwezigheid te komen, en op dezelfde manier ligt de ware kennis al diep in ieder mens verborgen. Die hoeft slechts onder de kundige begeleiding van een filosoof tot leven gewekt te worden. Wordt hier echt iets nieuws geleerd? En springt het manipulatieve aspect van dit soort filosofie niet onmiddellijk in het oog?

Een vergelijkbaar tekort is wat mij betreft bij Popper als persoon aanwijsbaar in de grote discrepantie die bij hem optreedt tussen leer en leven. De grote protagonist van het bijstellen en laten vallen van eerder ingenomen standpunten stond erom bekend dat hij zelf geen kritiek verdroeg. Volgens zijn vriend Bryan Magee rustte Popper niet voordat een gesprekspartner met wie hij van mening verschilde met het mes op de keel eindelijk toegaf ongelijk te hebben. “Ik ken geen voorbeeld”, zegt hij, “dat laat zien hoe hij in zijn lange leven ook maar één mening herzag”.

Je kunt zeggen: dat argument tegen Popper is aan de persoon ontleend en dat mag niet meetellen. Daar ben ik het niet mee eens. Die discrepantie zou wel eens veelzeggend kunnen zijn en het begin kunnen zijn van een verklaring voor de hypocrisie die vele betrokkenen ervaren in de zogenaamde open dialogen die gehouden worden in organisaties en bij de overheid. Niet dat de initiatiefnemers daarvan van kwade wil zijn: zij geloven oprecht in hun progressieve en zelf-kritische opstelling. De vraag is alleen of dat geloof niet naïef is en, net als Socrates in zijn dialogen, vanzelf manipulatief wordt.

Levinas

Genoeg om me, ook bij deze tweede rationalisme-variant, nog steeds onveilig te voelen. Maar wat biedt Levinas dan, dat ik me daar wél veilig bij voel? Ik zou zeggen: een derde soort rationalisme. Tot nu toe zagen we het rationalisme à la Plato en Descartes, dat gelooft in de almacht van de rede. Daar bestaat een correctie op in de vorm van het kritisch rationalisme à la Popper en Socrates, dat gelooft in het kritische en zelf-kritische potentieel van de rede. Tegenover beide varianten zet Levinas zijn derde variant: dat rationalisme gelooft in de rede die tot de orde geroepen wordt, juist niet door het zelf, maar door de ander.

Wezenlijk in dit uitgangspunt van Levinas is dat de corrigerende impuls van buitenaf komt. In zijn visie produceert de rede, behalve een hoop constructieve ideeën, aan de lopende band illusies met de rechtvaardigingen erbij om die te geloven. Dat zelfbedrog en die blindheid zijn per definitie niet door het zelf, ook niet door zelfkritiek, te verhelpen want je weet niet wat je niet ziet en niet weet. Alleen datgene wat je niet zelf had kunnen verzinnen leert je iets nieuws. Dat moet wel iets van buiten zijn.

Op slag wordt duidelijk hoe groot het verschil is met Socrates die uitgaat van de gedachte dat de waarheid al van meet af aan in iedere mens ligt opgeslagen. Écht leren, zegt Levinas, gebeurt pas door de confrontatie met wat op nog geen enkele manier van mij was. Werkelijke andersheid dus, waar geen manipulatie tegen bestand is.

Gezien zijn aansluiting bij Socrates ben ik er niet helemaal gerust op dat Popper daar te vertrouwen is. En dat hij het kritische zelf als gezagsbron overschat.

Zelfbeschikking als axioma

Dat geldt eigenlijk ook voor zijn geloof in de zelfbeschikking van de mens. Op diverse plaatsen omschrijft Popper zichzelf als rationalist, een erfgenaam van de Verlichting die “in de waarheid en de rede gelooft”. Daarbij maakt hij soms wel, als een soort voorbehoud, de kanttekening dat elke daad, ook de meest rationele, onverwachte gevolgen kan hebben.

Maar sommige commentatoren, waaronder de filosofische politicus Herman van Rompuy, merken op dat hij ondanks die kanttekening nogal eens overmatig optimistisch is over de mogelijkheden tot zelfbeschikking en maakbaarheid waarover de rationele mens beschikt. Volgens Van Rompuy moffelt Popper de onaangename vaststelling weg dat ook de grootste redelijkheid in een uitzichtloze impasse kan raken. Dat verdwijnt achter zijn onwrikbare geloof dat “de mens baas is over zijn lot”. De zelfbeschikking verschijnt hier als axioma.
 

Levinas

Het zal duidelijk zijn dat Levinas op dit punt een geheel andere positie inneemt. Bij hem is er, behalve van de kracht van het individu, ook voortdurend sprake van een onvermijdelijke, wezenlijke afhankelijkheid van mensen van elkaar. Die gedachte treft mij als wat realistischer dan die van Poppers volkomen zelfbeschikking.

Popper naast Levinas

Als ik afsluitend Popper en Levinas in korte uitspraken naast elkaar zet kom ik tot de volgende punten:

  • Popper en Levinas delen op het vlak van de kennisverwerving de fascinatie voor een belangrijke vraag namelijk: hoe vermijden we dogmatisme en tunnelvisies? Of, anders geformuleerd: hoe kunnen wij een situatie van openheid bewerkstelligen, dat wil zeggen een situatie waarin we onszelf toestaan onze fouten te ontdekken en te corrigeren? In het antwoord verschillen zij sterk: Popper gelooft in de zelfredzaamheid van het individu, dat zijn eigen zelfkritiek kan organiseren. Levinas kent aan het individu ook wel werkzaamheid toe, maar meer aan de kritische interventies van de Ander die ons bij de les houdt.

  • Beiden zijn nuchter en sceptisch over de vermogens van de rede om de waarheid te ontdekken. Beiden kregen op grond van die scepsis wel het verwijt irrationalist te zijn. Popper omdat hij niet zou geloven in de wetenschap vanwege het voorlopige karakter dat hij toekent aan kennis. Levinas omdat hij op de proppen komt met termen als oneindigheid. Maar toch willen beiden te boek staan als rationalist en willen ze lucide zijn over de manier waarop het vernuft te werk gaat. Maar voor Popper woog dat zwaarder dan voor Levinas. Het zat Popper dwars dat hij door sommigen een irrationalist genoemd werd. Levinas liet zich uiteindelijk door dat verwijt er niet vanaf brengen om met zoiets ongerijmds in zee te gaan als ‘denkschaamte’: het verschijnsel dat een mens zich kan schamen voor overigens volstrekt rationele denkbeelden.