Home
Home





English





Workshops





Teksten/

Artikelen





Contact





Naud van der Ven





NB: zijn de teksten niet netjes leesbaar?
Probeer een ander merk browser, bijvoorbeeld Firefox.

Klik hier
                  voor blogberichten




Werk en Reflectie over

'Communicatie als waagstuk'




Inhoudsopgave


Inleiding

In allerlei beschouwingen over het sociale klimaat in onze samenleving wordt gesproken over doorgeschoten individualisering en toenemende vereenzaming. Als remedie daartegen wordt dan vaak geopperd dat we opnieuw ‘verbinding’ moeten creëren. Opmerkelijk is dat onder deze beschouwers een aantal psychiaters van zich doen horen. Esther van Fenema, Damiaan Denys, Dirk de Wachter en Paul Verhaeghe presenteren zich bijna als artsen van de samenleving. Zij vertellen dat de wachtlijsten in de ggz zo lang zijn en hun wachtkamers zo vol omdat het in de samenleving aan verbinding ontbreekt. Op filosofisch vlak wordt de nadruk op het belang van verbinding vaak ontleend aan de filosofie van Heidegger, en dan met name zijn gedachten over mede-zijn. Voor zover in de psychiatrie gesproken wordt over de helende kracht van verbinding, is die nadruk eveneens regelmatig geďnspireerd door het gedachtengoed van Heidegger.

Dit vind ik interessant en daarom besloot ik om deze diagnose en oplossingsrichting nader te onderzoeken, zowel op het vlak van de filosofie als van het empirische veld van de psychiatrie. Ik wil daar een boek over schrijven. Want: kun je wel zo gemakkelijk in het wilde weg over verbinding spreken? Ik snap wel wat de beschouwers, inclusief Heidegger, bedoelen. Er is inderdaad sprake van eenzaamheid en sociale versnippering, en verbinding voelt altijd goed. Maar aan de andere kant: we willen toch ook niet terug naar de beklemmende sociale verbanden van vroeger, we hebben ons daar toch niet voor niets van bevrijd? Teveel mensen zaten daar in bekneld. Ik denk daarom dat de diagnose en oplossing ‘verbinding’ niet precies genoeg is, het begrip kan niet goed meer dienen als uitgangspunt voor socialiteit, waarbij ik socialiteit opvat als de relatie van het zelf met de ander(en). Mijn stelling is dat het model van socialiteit ŕ la Heidegger niet meer voldoet, ook al is dat model – ook zonder verwijzing naar Heidegger – wijdverspreid. Er is een model van socialiteit nodig waarin de ander op een meer waarachtige manier tot zijn recht komt, en voor een geloofwaardige alternatieve socialiteit ga ik te rade bij Emmanuel Levinas.

Het zal blijken dat levinassiaanse socialiteit als uitgangspunt niet verbinding neemt, maar gescheidenheid – of scheiding – die er altijd is tussen mensen. Dat wil niet zeggen dat er geen relatie met anderen mogelijk is voor Levinas (juist wel, daar is het hem eigenlijk om te doen), maar die zal alleen maar rijk en waarachtig kunnen zijn als die aan de eigenheid van de deelnemende mensen recht doet, door de scheiding heen. Dit filosofische concept van de scheiding als basis voor socialiteit zal ik beschrijven. Vervolgens wil ik dat concept toetsen op het empirische veld van de psychiatrie, op grond van uit het leven gegrepen ontmoetingen tussen mensen. Ik meen daar trends waar te nemen die de relatie tussen behandelaar en cliënt willen herwaarderen op een manier die doet denken aan levinassiaanse socialiteit. Maar of dat zo is zal moeten blijken uit interviews met psychiaters en psychotherapeuten die ik nog moet houden.

Op dit moment ben ik halverwege het onderzoek dat ik voor het boek moet doen. Ik wil jullie vanavond daarover iets vertellen en uitwisselen over vragen die ik erover heb, en jullie misschien ook. Wat ik al aardig rond heb zijn de gedeeltes over Heideggers gedachten over mede-zijn en verbinding, het verwijzen naar verbinding in de psychiatrie, mogelijke bezwaren tegen mede-zijn/verbinding, Levinas’ alternatief: de scheiding, en in hoeverre de scheiding resoneert bij andere denkers. Dus over die gedeeltes ga ik jullie wat vertellen.

Heideggers gedachten over mede-zijn

Mede-zijn – dat wil zeggen: Heideggers variant van verbinding – is op te vatten als een vorm van intuďtief begrepen solidariteit tussen mensen, die hen van meet af aan eigen is. Het is het door Heidegger vooronderstelde startpunt in sociale aangelegenheden: mede-zijn is de altijd al voorgegeven basis van socialiteit, dus van de relatie van het zelf met de ander(en). Al vanaf zijn geboorte is de mens ingebed in een sociale context met als binnenste schil de moeder en het gezin, en vervolgens in steeds wijdere kringen daaromheen de schillen van de wijk, het dorp of de stad, de streek, het land, de taal en de cultuur waartoe de mens behoort. Heidegger bespreekt mede-zijn (Mitsein) in hoofdstuk 4 van Zijn en tijd.

Mede-zijn is voor Heidegger een manier van zijn, zoals hij ook het persoon zijn als een manier van zijn benoemt, namelijk er-zijn. Nu is het zo dat voor Heidegger manieren van zijn zich bewegen op een kwaliteitscontinuüm. Voor zowel er-zijn als mede-zijn is er een continuümlijn die loopt van meer naar minder oorspronkelijk zijn, ofwel van de pool van oorspronkelijkheid naar de pool van alledaagsheid. Hoe alledaagser, hoe minder oorspronkelijk, en wat Heidegger betreft: hoe minder kwaliteit het zijn heeft. Het er-zijn (de individuele mens) kan vervallen tot alledaagsheid wanneer het zijn oorspronkelijke zelf verloochent door op te gaan in de menigte. In die vervallenheid doen mensen alleen nog maar wat ‘men’ vindt dat men moet doen, en zulke mensen (de meesten van ons) worden daarom door Heidegger aangeduid als ‘das Man’. Kenmerkend voor het ‘men’ zijn het routineuze doorsneekarakter ervan, een zielloze afstandelijkheid, waarin individuen zich veinzend en zich verstoppend tot elkaar verhouden. Maar ook het mede-zijn kan, als collectief, zijn oorspronkelijkheid verliezen door te vervallen in valse verbinding en oneigenlijke gemeenschappelijke idealen. Alledaagsheid en doodse conventies gaan dan het collectieve mede-zijn domineren en zo kan een heel land, of een hele cultuur in nietszeggendheid belanden. In hun staat van alledaagse vervallenheid, zowel van er-zijn als van mede-zijn,  verdwijnt het oorspronkelijke verstaan-met-elkaar uit de communicatie.

Opdracht aan de mens: te komen van inauthentiek naar authentiek.

Maar het continuüm biedt, aldus Heidegger nog een derde pool voorbij die van het alledaagse, namelijk die van het ‘authentieke. Die pool kan zich in de loop van de tijd ontwikkelen, zowel voor het individu (erzijn, vanaf nu gebruikt als zelfstandig naamwoord en geschreven zonder streepje) als voor collectieven (mede-zijn) is er vooruitgang te boeken in de richting van meer authenticiteit. Heidegger waarschuwt echter wel: van het ‘men’ kom je nooit helemaal los. Toch is de streefrichting naar meer authenticiteit de opdracht waar volgens Heidegger zowel individuen als collectieven werk van moeten maken.

Voor het individu beschrijft Heidegger de weg naar authenticiteit als een proces van het leren kennen van zijn eigen wereld, via een breuk met het men. Hij schrijft: “Allereerst is het erzijn men, en doorgaans blijft dat zo. Als het erzijn de wereld nadrukkelijk ontdekt en leert kennen, als het zijn eigenlijke zijn voor zichzelf ontsluit, vindt dat ontdekken van ‘wereld’ en dat ontsluiten van het erzijn altijd plaats als het uit de weg ruimen van de toedekkingen en verduisteringen, als het doorbreken van de versperringen waarmee het erzijn zich voor zichzelf afsluit”. Dat proces van ontsluiting van de wereld wordt bevorderd door een besef van de tijdelijkheid van het eigen bestaan, dus van de eigen dood.

Voor collectieven is er ook een weg naar authenticiteit. Inauthentiek is het mede-zijn wanneer daar “zowel het zelf als anderen effectief verdwijnen”, wanneer het samenleven onpersoonlijk is geworden in de vorm van een hardnekkig anoniem men. Heidegger geeft regelmatig blijk van zijn afkeer daarvan. Maar daar hoeft het niet bij te blijven, want in het verlengde van die afkeer, zegt commentator Chantal Bax, betoogt Heidegger dat mensen ‘authentiek met elkaar verbonden’ kunnen worden ‘wanneer zij zich aan dezelfde gemeenschappelijke zaak wijden’, ook wel een ‘gemeenschappelijk iets’ genaamd. Immers, de eigenlijkheid die Heidegger voor het zelf ziet weggelegd (zie boven) is niet het einddoel van de authenticiteit. Die dient ertoe om vervolgens een echte relatie mogelijk te maken, niet alleen met de eigen eindigheid, maar ook met zijn medemensen. Dan is er authentiek mede-zijn.

Hoe ziet dat eruit? Bij het men kunnen we ons conformistische groepsconstellaties voorstellen, de sociale controle van een benauwde dorpsgemeenschap of een formele bureaucratische kantoorpopulatie. Maar hoe ziet dat authentieke mede-zijn voor Heidegger er eigenlijk uit? Chantal Bax zegt daarover: “Mede-zijn wordt pas authentiek, zoals Heidegger beweert in een beruchte passage in Zijn en tijd, wanneer de mensen die zich in dezelfde sociaal-historische situatie bevinden resoluut hun specifieke erfgoed opnemen en actief gestalte geven aan hun geëigende plaats in de geschiedenis. Het is met andere woorden in de vorm van een zelfverzekerd volk dat mede-zijn op zijn authentiekst is.”

Gebruik van mede-zijn in de psychiatrie


Een aantal psychiaters voelen zich in hun werk expliciet door Heidegger geďnspireerd en hebben het denken van Heidegger vruchtbaar proberen te maken voor de psychiatrie. Al vanaf de jaren veertig geldt dat voor Jan Hendrik van den Berg, en Ludwig Binswanger en voor de jaren vijftig en zestig voor Medard Boss, die seminars organiseerde voor psychiaters met en over Heidegger. Als grote verdienste van Heidegger zien deze psychiaters dat Heidegger afrekent met het scherp afgegrensde individu van Descartes, dat als subject de rest van de wereld tot object degradeert en mensen ontmenselijkt. De nadruk van Heidegger op de inbedding van ieder individu in een maatschappelijke bedding is voor hen van groot belang. Heidegger keerde zich bovendien tegen de opvatting van de mens die gangbaar is in de medische wereld, namelijk van de mens als een door fysieke oorzaken gedetermineerde entiteit. Het is niet moeilijk om te zien hoe dit bezwaar van Heidegger zich in de ogen van dit type psychiaters op gelijke wijze keert tegen de biologische psychiatrie, omdat daar gewerkt wordt met fysieke gedetermineerdheid: de ziekte wordt gelocaliseerd in de hersenen. Het handboek Diagnostic and Statistical Manual of Mental Disorders (DSM), een classificatiesysteem voor psychische stoornissen, wekt bij deze psychiaters veel weerstand op, maar ook wel in een bredere kring (Moyaert: “De onvrede met dit soort handboeken is wijdverspreid”). Voor zover DSM de weerspiegeling is van causaal-mechanistisch en deterministisch denken draagt het bestaan van dat handboek stellig ook bij tot een omarming van het denken van Heidegger als tegenreactie.

Sommige psychiaters, bijvoorbeeld Gerben Meynen en Jacco Verburgt, zien de relevantie voor hun vak van Heideggers nadruk op de beleving van betekenis, via de omgeving waarin mensen verkeren. Maar zij wijzen erop dat psychiatrische stoornissen het punt kunnen bereiken waarop alle betekenis verdwenen is. In dergelijke gevallen is het aannemelijk dat we een verklaring in termen van niet-betekenisvolle, zeg maar mechanisch-causale processen gewoon nodig hebben. “In deze situaties kunnen we mechanismen poneren die niets met ‘betekenis’ te maken hebben, zoals fysieke oorzakelijkheid.”

Soms wordt door psychiaters de nadruk specifiek gelegd op het heideggeriaanse authentieke mede-zijn. Zo ziet Steve Velleman in het kielzog van Heidegger de mogelijkheid ontstaan van een “ware ontmoeting” tussen psychiater en patiënt. Die ruimte voor authentiek mede-zijn creëert Heidegger, aldus Velleman, doordat hij aan de kant van de psychiater onderscheid maakt tussen de professional met zijn wetenschappelijke methoden en de persoon van de psychiater. De ggz-filosoof Nicole Note zegt, in dezelfde strekking, dat het in de ggz te doen is om een vorm van mede-zijn via de heideggeriaanse relatie van het zorgen “in de betrokkenheid van het individu bij een gemeenschappelijke zaak”.

Op een minder expliciet niveau zie ik Heideggers nadruk op mede-zijn doorwerken in de woorden van de publiekspsychiaters die ik aan het begin noemde en die kwistig strooien met het woord verbinding, soms onder verwijzing naar Heidegger. In dit verband wil ik ook nog psychiater Jim van Os noemen. Hij stelt vast dat veel mensen in de samenleving geen of weinig verbintenis met anderen ervaren. Verbinding “lijkt veelal weggevallen in de samenleving: het gemeenschappelijke perspectief. Je zou kunnen zeggen dat een belangrijke kernvraag voor onze tijd is: hoe verbonden voel jij je met de samenleving?”

Het is belangrijk om erop te wijzen dat een grote groep psychiaters met de heideggeriaanse betekenisgeving van mede-zijn helemaal niets heeft. Een welsprekende woordvoerder van deze groep is Damiaan Denys, voormalig voorzitter van de Nederlandse Vereniging voor Psychiatrie. Hij meent dat de vanzelfsprekende inbedding in de wereld, die voor Heidegger uitgangspunt is, niet goed meer mogelijk is omdat er nauwelijks nog overeenstemming is over wat een normale, gedeelde wereld eigenlijk is. We leven in een wereld groter dan ooit en in een cultuur globaler dan ooit. “Dé normaliteit is verdwenen.” En de verbinding die daarbij hoorde dus ook. “Stellen velen van ons zich niet heimelijk de vraag hoe gek de wereld is?”

Vervolgens neemt Denys een standpunt in met termen die regelrecht tegen heideggeriaanse standpunten ingaan. Dat wil zeggen: vóór het medische model, geleid door cartesiaanse afstandelijkheid: “Het medische model met zijn kille klinische context is uitermate geschikt om de ziel tot voorwerp van onderzoek te nemen. De psychiatrie met haar afstandelijke medische model dwingt om het lijden tot zijn reële proporties terug te brengen. Ze creëert drempels, reduceert mensen in spreekkamers tot patiënten en ontdoet het lijden van intimiteit. Het is ons om de ziel te doen en niet om de mens. Het contrast tussen de verborgen schatkamer van je emoties en de onverschillige routine van de psychiater is groot”, en zo hoort het ook, volgens Denys. Het kan verwarrend zijn om in dit pleidooi het woord ‘ziel’ tegen te komen in een betekenis die tegengesteld is aan menselijkheid. Want in  geschriften van andere psychiaters figureert de ziel als het bij uitstek relationele en meest menselijke van wat ze tegenkomen in hun werk. Maar Denys is duidelijk: voor hem is medische afstandelijkheid de ziel van het vak en die “moet terug in de psychiatrie. Desnoods met geweld.”

Maar in dit pleidooi voor hernieuwde medicalisering van de psychiatrie heeft Denys de tijdgeest niet mee, zo zegt hij zelf. De antipsychiatrie wint “sinds kort opnieuw aan populariteit. Patiënten verzetten zich samen met psychiaters tegen het medische en wetenschappelijke karakter van de psychiatrie. Patiëntenorganisaties vinden de medische aard van de psychiatrie stigmatiserend. De psychiater is zijn unieke status van hoofdbehandelaar verloren.”

Bezwaren tegen het snelle beroep op verbinding

Tegen het snelle beroep op de slogan ‘verbinding’, zowel in de filosofie bij Heidegger als bij sommige psychiaters, kun je bezwaren hebben. Op twee daarvan ga ik nader in. Allereerst het bezwaar dat inzet op verbinding totaliserende effecten kan hebben. Voor onderbouwing van dit bezwaar neem ik het denken van Levinas als uitgangspunt. Vervolgens het bezwaar dat de individualisering van de huidige samenleving een andere kant op wijst dan in de richting van een voorgegeven verbinding of mede-zijn.

Levinas: Heideggers beroep op mede-zijn kan totaliserend uitpakken

Levinas stond in Frankrijk wel bekend als ‘de anti-Heidegger’. Tegelijkertijd werd daar vaak bij verteld dat hij Heidegger in Frankrijk introduceerde en levenslang enthousiast bleef voor bepaalde filosofische vernieuwingen van de Duitse fenomenoloog. En zo is het ook. Maar op één terrein is Levinas zijn hele leven anti Heidegger gebleven, en dat is het terrein waarop de andere mens ter sprake komt en dat Heidegger bespreekt onder de noemer van mede-zijn. Mede-zijn heeft Levinas steeds kritisch beoordeeld, in geschriften en uitspraken vanaf de jaren veertig tot en met de jaren tachtig. In een interview uit 1982 verwoordt hij zijn ferme weerzin als volgt: “De ethische relatie bij Heidegger, het Miteinandersein(...)is zusammensein, misschien wel zusammenmarschieren”. Levinas brengt mede-zijn in verband met totaliserende tendensen. Die ziet hij optreden in Heideggers eigen levensloop – hij werd prominent lid van de nazipartij –, maar hem interesseren vooral de filosofische aspecten van het concept mede-zijn zoals uitgewerkt door Heidegger.

Levinas bevestigt dat Heidegger een stap voorwaarts heeft gezet ten opzichte van het dominante, vooral door Descartes beďnvloede denken over de andere mens. Heidegger benadert de ander – net als het zelf – niet als een dingachtig object dat door het intellect gegrepen kan worden in begrip, maar als een zijnde: een ‘zijnd wezen’ dat je ‘moet laten zijn’. Door te focussen op het zijn van andere zijnden krijg je een volwaardigere toegang tot hen. Precies door dat verstaan van de ander via het zijn van de ander geeft die zich als zijnde en niet alleen als object.

Maar voor Levinas komt daarmee niet een wezenlijk andere inzet tot stand dan Descartes al had: die nadruk op het (laten) zijn van het zijnde zet, aldus Levinas, opnieuw het begrip van de ander voorop. Weliswaar is het niet meer het cartesiaanse ik (subject) dat de ander rechtstreeks objectiveert, want het begrijpen wordt nu over de band van het zijn gespeeld. Maar de ander blijft in Zijn en tijd zo nog steeds primair het object van begrip. Gaat het wel om échte onafhankelijkheid van de ander, vraagt Levinas zich af. Of blijft de ander in laatste instantie een project van ‘erzijn’, zoals Heidegger de mens noemt? En daarmee vatbaar voor inkapseling in totaliserende systemen?

Commentaren op Levinas

Hoeveel hout snijdt dit bezwaar van Levinas? Een probleem voor de beoordeling ervan is dat Heidegger nooit geantwoord heeft op de kritiek van Levinas. Dat maakt het lastig om te onderzoeken hoe houdbaar Levinas’ positie is. Gelukkig is het zo dat de generaties van filosofen na Heidegger en Levinas hun (of beter: zijn) twistpunt hebben opgevat als een kwestie van groot belang, namelijk: hoe te spreken over de verhouding tussen individu en gemeenschap na de totalitaristische rampen van de twintigste eeuw?

Een belangrijke commentator is Jean-Luc Nancy. Hij stelt vast dat de categorie van het mede-zijn onderontwikkeld blijft bij Heidegger. Hoewel Heidegger ooit zelf wel op zoek is geweest naar iets tussen “menigte en subject”  blijft hij voor mede-zijn steken in een halfbakken combinatie van twee gebrekkige visies op de mens, namelijk een die de mens ziet als een ding en een die de mens ziet als onderdeel van een anonieme menigte. Dat is precies de combinatie die Levinas zo levensgevaarlijk vindt, en Nancy deelt dat oordeel. Heidegger gaat dan ook de mist in als hij als concrete invulling voor zijn mede-zijn uitkomt bij het ‘volk’, om precies te zijn ‘das Volk’, namelijk het Duitse. Want het volk is voor Heidegger een gemeenschappelijke zaak met een grootse historische bestemming waarvoor moet worden gestreden in conflicten met andere volkeren en waarvoor men de offerdood in de strijd moet riskeren. Nancy vindt dit een onverwachtse en teleurstellende uitkomst van Heideggers zoektocht. Je kunt dus zeggen dat Nancy instemt met Levinas’ bezwaar dat Heideggers mede-zijn gevaarlijk totaliserend kan uitpakken. Als verklaring voor het feit dat Heidegger uiteindelijk toch een vorm van geslotenheid omarmt denkt Nancy dat hij de sociale dimensie van het bestaan maar karig heeft uitgewerkt. Daar gaat zijn interesse niet naar uit en, zegt Nancy, daarmee staat hij in een lange filosofische traditie van verwaarlozing van de sociale dimensie van het bestaan. Dat sluit goed aan bij Levinas’ positie.

Kritischer op Levinas is sociaal- en politiek-filosoof Chantal Bax die er meer dan Nancy een punt van maakt, dat Levinas geen oog heeft voor authentieke vormen van mede-zijn waar Heidegger het wel degelijk over heeft. Zij wijt dat aan een gebrekkige lezing door Levinas van Zijn en tijd. Levinas kent zijn Heidegger niet! Commentator Ramona Rat stemt in met Nancy’s conclusie dat “[o]ndanks de aanwezigheid van de termen Mitsein en Mitdasein in de tekst [van Zijn en tijd], er geen langdurige of rigoureuze analyses van het concept worden gegeven zoals in het geval van het hoofdconcept – verre van dat”.

Andere filosofen zijn kritisch op de totale verwerping van mede-zijn door Levinas. Want, zeggen ze, mede-zijn hóeft niet die invulling te krijgen van een exclusief etnocentrisme. Dat is maar goed ook, want hoe kan het menselijk bestaan gedacht worden zonder mede-zijn? Wij mensen worden allemaal geboren in een (al dan niet compleet) gezin, we behoren tot een familie, tot een buurt, een sportclub, een dorp of een stad, en inderdaad ook een land of volk. Geen mens kan daaraan ontsnappen en daarmee is mede-zijn wel degelijk een existentiële categorie voor mensen. Dat toebehoren kan op een relatief onschuldige, simpelweg functionele manier plaatsvinden. Blijft staan, zeggen ook die filosofen, dat gemeenschappelijkheid en groepsaangelegenheden door toedoen van fascistische en nazistische vormen ervan in het Westen een slechte reputatie hebben gekregen. Groepsdiscipline, sociale dwang en het ‘zich scharen om de vlag’ worden sinds de tweede helft van de twintigste eeuw met argwaan bekeken.

Bovendien: mede-zijn verdwijnt

Daarnaast blijft de observatie staan, gedaan door filosofen, sociologen en politici, dat socialiteit op basis van verbinding in de huidige tijd gewoon minder voorkomt. Verbinding, voor zover die er wel was, maakt maatschappelijk gezien op grote schaal simpelweg plaats voor individualisering. Dit als gevolg van een samenstel van maatschappelijke ontwikkelingen zoals groei van welvaart en mobiliteit, ontkerkelijking, globalisering en neoliberale ideologie. Een heleboel ‘gemeenschappelijke ietsen’ zijn er niet meer, denk aan hechte dorpsgemeenschappen, vakbonden, kerken, sport- en andere verenigingen. Als mede-zijn, volgens Heidegger, bestaat in de gezamenlijke betrokkenheid op een gemeenschappelijk iets, dan verliezen door de individualisering voorgegeven beddingen in rap tempo aan betekenis. ‘Verbinding’ is dus al lang geen realistische beschrijving meer van de complete sociale werkelijkheid van veel mensen. Het dekt nog slechts een stuk van die werkelijkheid. Juist gezien de individualisering kan het begrip scheiding gelden als een adequater uitgangspunt voor de beschrijving van (nieuwe) socialiteit dan het afkalvende begrip verbinding.

Evaluatie

Mijn beoordeling van Heideggers mede-zijn is gemengd maar in hoofdzaak afwijzend. Aan de ene kant ben ik geneigd, meer dan Levinas, om mede-zijn te zien als een organisch onderdeel van het mens-zijn. Te leven in een sociale bedding is een basisgegeven van mens-zijn, en Heidegger weet daarvan regelmatig rake beschrijvingen te geven. Aan de andere en doorslaggevende kant stel ik vast dat het bezwaar van Levinas tegen de gebrekkige uitwerking en de problematische invulling ervan door Heidegger, bijgesteld met de nuanceringen door de post-Levinas filosofen, grotendeels overeind blijft. Mede-zijn is potentieel gevaarlijk vanwege de totaliserende tendensen, de figuur van de andere mens komt daarin niet serieus aan bod. En dat blijft onverminderd actueel. Het fascisme maakte destijds gebruik van het woord verbinding om enthousiasme bij het volk te wekken, en de motor achter veel huidige radicaal-rechtse bewegingen zoals van Orban of Wilders is ‘identiteit’ die als verbindende factor in ere moet worden hersteld. Er zijn beslist ook goede vormen van verbinding, maar het blijft een voortdurende opdracht om de goede vormen te onderscheiden van de gevaarlijke. 

Voor wat betreft het tweede bezwaar: door het verdwijnen van veel maatschappelijke verbanden is veel mede-zijn verdwenen. Een snel beroep op verbinding als iets waar we zo naar terug kunnen keren is in toenemende mate ongeloofwaardig en een loze kreet.

Levinas’ alternatief: de scheiding

In de plaats van mede-zijn, of verbinding, als basis voor socialiteit komt Levinas met het begrip ‘scheiding’ als basis voor socialiteit. Wat bedoelt hij daarmee?

Het woord scheiding duikt voor het eerst op bij Levinas als hij zijn visie uiteenzet over hoe de mens mens wordt, ofwel: subject wordt. Dit proces van subjectvorming vindt plaats vanuit een situatie van vervloeiing met het omringende zijn (il-y-a) naar een situatie van verzelfstandiging van het subject waarin het subject niet meer zomaar overvloeit in het omringende zijn. Dat is voor Levinas een positief geladen proces, want het amorfe, anonieme omringende zijn heeft iets bedreigends. De voltrekking van de scheiding kenmerkt zich allereerst door de genieting, vervolgens door het wonen, de arbeid, het bezit en tenslotte het kennende denken.

Die stap naar kennen en denken wordt gezet met de ontwikkeling in het subject van bewustzijn, het objectiverende denken of van wat Levinas noemt ‘het licht’. Deze bewustzijnsstap beschouwt Levinas als een hoogtepunt: de scheiding tussen het subject en het omringende zijn wordt daarin geradicaliseerd. Zoals hij zegt: “Het zijn in de wereld als licht is dus de mogelijkheid zich, te midden van het zijn, aan het zijn te onttrekken”. Het subject beschouwt zich nu in zekere zin als baas van zijn eigen wereld, vooral via het denken. Dat is een illusie natuurlijk, en daar zit iets van solipsisme in, noem het egoďsme als je wilt. Maar dit illusoire karakter van het denken wordt door Levinas niet alleen maar negatief opgevat. Daarvoor hecht hij teveel waarde aan de verworvenheden van de verzelfstandiging van het subject, zoals de weigering van versmelting (‘fusie’) met het het il-y-a en de vrijheid van het spontane, bijna geniale, denken. Tegelijkertijd wijst hij wel op de grote problemen die dit verraderlijke karakter van het bewustzijn met zich meebrengt: betekenisverlies, vormen van totalitarisme en niet te vergeten: eenzaamheid. De scheiding krijgt hier een toegespitste betekenis: de subjecten hebben ieder hun eigen wereld, afgescheiden van elkaar.

Maar, hier schiet de tweede verhaallijn te hulp. Die tweede verhaallijn houdt kort gezegd in dat de tot nu toe behandelde voorwaarden (genieting, wonen, arbeid en bezit) niet voldoende zijn voor het gaande houden van het denken en kennen, kortom van het bewuste subject. Een nieuwe voorwaarde is het optreden van een bron waarvan de oorsprong buiten het afgescheiden bewustzijn ligt, maar ook niet ligt in het anonieme zijn waaraan het ik zich juist ontworsteld had. Die bron is de andere mens, door Levinas ook wel de Ander genoemd, die een appčl op me doet en daarmee de soevereiniteit van het afgescheiden ik doorbreekt. Immers, zegt Levinas, het face-to-face met de ander roept mij tot de orde en doorbreekt de illusie van mijn zelfgeschapen en zelfgenoegzame universum, en daarmee de totaliserende neigingen en de eenzaamheid. Het bijzondere van deze interruptie is dat de scheiding waarin onze autonomie ons brengt – even – wérkelijk, en voelbaar, doorbroken wordt. Hier is even echt contact en waarachtige socialiteit. “De Ander doet de eenzaamheid teniet door het egoďsme ter discussie te stellen”.

Met deze wenselijke uitkomst kun je spreken van een succesverhaal, maar dat is toch maar half waar. Want de doorbreking van de eenzaamheid in de tweede verhaallijn is slechts tijdelijk. De inslag van het echte contact is maar een moment. Een werkelijkheid overstijgend, transcendent moment, maar toch: slechts een moment.

Belangrijk is voor Levinas dat dit soort momenten je overkomen. Je kunt er een zekere openheid voor hebben, maar het komt niet vanuit jezelf, het komt van buiten: je wordt erdoor overvallen en verrast. Het is niet of nauwelijks maakbaar. Dit markeert een belangrijk verschil met Heidegger. Voor Heidegger bestaat er zoiets als toegang voor mij tot de Ander via het zijn van de zijnden, je kunt de ander tot thema van je denken maken en begrijpen. Voor Levinas is die toegang is er niet zo maar.

Die onthematiseerbaarheid is een mooi kenmerk van het face-to-face, want daardoor is de ander niet in te lijven in jouw kennissysteem. Door de volstrekte andersheid en eigenheid van de ander wordt het imperialisme van het kennende denken doorbroken. In de woorden van Simon Critchley: “Naar mijn mening is de centrale taak van Levinas’ werk de poging om een relatie met de ander te beschrijven die niet tot begrip kan worden herleid”. Hoezeer dit met scheiding verbonden is toont Robert Bernasconi als hij Levinas’ gedachtengoed verwoordt met de woorden: “you don’t know what I’m talking about.”

Maar als de scheiding, juist ook tussen de ene mens en de andere, zo fundamenteel is, hoe kan er dan nog sprake zijn van socialiteit opgevat als ‘de relatie van het zelf met de ander(en)’? Want dat is toch de situatie waar ook Levinas bij wil uitkomen? Is het dan behulpzaam om de scheiding zozeer te benadrukken als Levinas doet? Het klinkt niet logisch wat Levinas doet.

Toch is het dat misschien wél, want er is op dit punt ook een andere logica mogelijk, en die wordt door Levinas gevolgd. Die logica ziet de scheiding niet als een obstakel, maar juist als een voorwaarde voor contact dat verder gaat dan de geformaliseerde, rituele ontmoetingen die mensen op grote schaal met elkaar hebben. In feite draait Levinas de zojuist gestelde vraag simpelweg om: hij vraagt zich af hoe er sprake kan zijn van echt contact als het niet begint met de afgescheidenheid van elk van de polen die uiteindelijk de relatie vormen. Waarachtige socialiteit komt van buiten jouw systeem, kosmos of  totaliteit. En het vormt ook geen eigen nieuw systeem met mij, omdat er voor Levinas in deze relatie geen sprake is van wederkerigheid. Het gelaat van de ander raakt mij, dat is één ding. En ik moet daar iets mee, die verplichting is een ander ding.

Als er wél sprake zou zijn van wederkerigheid of symmetrie (de ander is mijn ander en ik ben zijn ander en wij hebben gelijke verplichtingen tegenover elkaar), dan zou, voor die ander in relaties met anderen dan ik (de zogenaamde derden) dezelfde wederkerigheid gelden. Dan zouden verplichtingen die voortkomen uit het face-to-face tegen elkaar moeten worden afgewogen. Dat is een bij uitstek getalsmatige, bijna statistische exercitie die Levinas in zijn filosofie te berde brengt als ‘het probleem van de derde en van rechtvaardigheid’, en daar gaat, wat Levinas betreft, socialiteit niet over.

Het is dus, voor het grotere plaatje, van belang om te bedenken dat het gebruikelijke sociale verkeer dat wij mensen met elkaar hebben in de samenleving (de samenleving van derden) niet het karakter heeft van de face-to-face socialiteit. Het gebruikelijke sociale verkeer – zeg maar: dat van onze formeel geordende omgang met ons gezin, werk, school, de wetenschap, het recht, het verkeer – is een afgeleide van de gesteldheid van het verzelfstandigde subject dat zich van het il-y-a heeft losgemaakt. Dat wil zeggen: het rationele denken en het objectiverende kennen maken er de dienst uit. Het rationele denken ordent via wetten, protocollen en instituties de samenleving, en het objectiverende kennen stuurt wetenschap en techniek. Overigens heeft Levinas grote waardering voor deze geordende samenleving, voor hem zijn de instituties en de communicatie die daarbij hoort van groot belang. Zij vormen dus niet de minderwaardige soort van sociale omgang die Heidegger aan het men toekent. Maar, zegt Levinas, alle ordening kan zijn eigen uitholling creëren en totaliserende neigingen gaan vertonen. Daar moet de waarachtige communicatie van het face-to-face tegenwicht tegen bieden.

Evaluatie

Wat vind ik van dit betoog van Levinas? Wat mij betreft heeft Levinas wel een gevoelig punt te pakken met zijn ter discussie stellen van mede-zijn of verbinding. Er wordt, en niet alleen door Heidegger, te snel, als het over sociale problemen gaat, gegrepen naar ‘verbinding’ alsof het een voorgegeven essentie is. Daar is het gevaar aan verbonden van totaliserende en dwingende verbanden. Levinas zet daar met de scheiding iets tegenover dat de totaliserende werking tegengaat doordat met de scheiding ook de autonomie en integriteit van subjecten worden veilig gesteld. De absolute andersheid van de ander laat geen ruimte voor inkapselende sociale systemen.

Verder blijft de observatie relevant dat verbinding al lang geen complete realistische beschrijving meer van de sociale werkelijkheid van veel mensen. Juist gezien de individualisering kan het begrip scheiding gelden als een adequater uitgangspunt voor de beschrijving van (nieuwe) socialiteit dan het afkalvende begrip verbinding.

Samenvattend: het begrip scheiding doet recht aan het toenemende besef in de samenleving dat mensen onderling verschillen en dat de ene mens niet zomaar kennis en toegang heeft tot de leefwereld van de andere mens. Je kunt de scheiding ook heel adequaat weergeven door, met Levinas, te zeggen: communicatie is een waagstuk.

Resonantie van de scheiding bij anderen

Wanneer socialiteit en communicatie in deze zin worden opgevat, over de scheiding heen, dan zijn daar bepaalde kenmerken aan te onderscheiden. Die socialiteit maakt het bijvoorbeeld moeilijker om uit te gaan van gedeelde, gemeenschappelijke oriëntatiepunten dan bij verbinding het geval is. Mensen en hun gedrag zijn daardoor moeilijk universeel te classificeren, objectiviteit in de benadering van anderen moet wijken voor een besef van de onthematiseerbaarheid van anderen. In hoeverre is socialiteit met die kenmerken terug te vinden in gangbare filosofische literatuur over socialiteit? Kun je misschien spreken van een trend in die richting die meer omvat dan alleen het gedachtengoed van Levinas?

Ondanks de onwennigheid van zijn denken vindt het weerklank in de generaties na hem, al dan niet onder verwijzing naar Levinas. In mijn onderzoek behandel ik er een stuk of tien, hier beperk ik me tot Rat, Nancy, Rasch.

Een belangrijke commentator die grotendeels met Levinas instemt is Ramona Rat, die we al eerder tegenkwamen. Zij benadrukt dat Levinas van socialiteit als fusie wil naar socialiteit als interruptie. Het gelaat breekt in, eigenlijk vooral op de bestaande verbanden van de samenleving van derden. Door haar consequente nadruk op het belang van de interruptie van bestaande verbanden koppelt ze scheiding aan verbinding: want het is dankzij de interruptie (die scheiding zichtbaar maakt) dat mogelijk totaliserende verbanden opbreken, en dat tegelijkertijd verbindingen (relaties en gemeenschappen) een nieuw begin vinden. “Scheiding en vervlechting zijn geen tegengestelden”, aldus Rat.

Jean-Luc Nancy heeft een eigen variant van de scheiding, bij hem ook wel ‘opening’ genoemd. Daar vindt hij ‘de zin van het zijn’, als iets dat te onderscheiden is van de ‘betekenis van het zijn’. Betekenis is wat rouleert in de samenleving van derden, het zijn de informatiestromen waarmee we onze gezinnen, scholen, bedrijven en de overheid draaiende houden. Zin gaat daaraan vooraf, en maakt al die betekenissen mogelijk, maar is zelf onthematiseerbaar en oncategoriseerbaar.

Een interessante variant op de scheiding meen ik te vinden bij Miriam Rasch in haar boek Frictie. Eerlijk is eerlijk, zij noemt noch Levinas, noch de scheiding, maar zij spreekt over de kloof tussen mens en omgeving, plus een extra kloof, namelijk die ‘tussen mij en mijn datakarikatuur’. Mijn datakarikatuur is het resultaat van het samenlevingsbrede streven naar dataficatie, dat wil zeggen naar het omzetten van de wereld in kwantitatieve data. Ik behoor zelf ook tot ‘de wereld’, dus ook ik word omgezet in meetbare parameters. Maar als ik geconfronteerd word met mijn meetbare beeld – mijn datakarikatuur ofwel mijn ‘ik’ – herken ik me daar mogelijk geheel niet in. Als je maar lang genoeg naar jezelf kijkt via de ogen van derden – en dat is wat er feitelijk gebeurt bij dataficatie – kom je op een gegeven moment jezelf als vreemde tegen. Je bent dan de ander van jezelf geworden.

Onder verwijzing naar het boek We are data van John Cheney-Lippold noemt Rasch deze vervreemding die mijn eigen meetbare type bij me opwekt, the else. Het dataďsme, dat gelooft in de mogelijkheid om de hele wereld in data om te zetten, zal inderdaad geneigd zijn om het else op te vatten als een op te vullen gat, een glad te maken oneffenheid. Het zal de kloof tussen ik en ‘ik’ willen dichten, “door de dubbelganger op te poetsen of zelfs na te volgen. Liefst moet alles kloppend zijn”. Maar Rasch denkt daar anders over: “Het else is niet een gat dat simpelweg nog niet door data is opgevuld”. Het dataďsme meent alles te kunnen opslokken wat in z’n buurt komt, maar daar is, aldus Rasch, het dataďsme helemaal niet toe in staat. Mijn vervreemding is niet weg te poetsen zodra ik antwoord krijg op de vraag hoe ik in een categorie terechtkom en in welke dan.

Behalve dat je die vervreemdende ervaring niet kúnt gladstrijken zou het ook niet wenselijk zijn, zegt Rasch, want de ervaring van de oncategoriseerbaarheid van het else kan vruchtbaar zijn. De ervaring dat dingen niet kloppend te krijgen zijn is vruchtbaar omdat die ethische vragen oproept: “Wat vind ik er zelf eigenlijk van? Wie ben ik? Hoe verhoud ik me tot de wereld? En wat ga ik eraan doen?”. Die vragen geven het concept van het else kritische potentie en om die reden krijgt het ook wel de naam ‘ethische differentie’. De ethische differentie heeft te maken met kwesties van kennis en macht. Daarbij gaat het niet alleen om asymmetrie in informatie – iets wat in theorie op te lossen is door data open beschikbaar te stellen of in eigendom van de geprofileerden zelf te geven – het gaat erom wie bepaalt welke categorieën gehanteerd zullen worden en waarom.

Wat mij betreft liggen in dit betoog van Rasch de parallellen met het verhaal van Levinas over scheiding voor het oprapen. De kloof, of het gat, en het else van Rasch vertonen in hun beeldspraak en bewoording gelijkenis met de levinassiaanse scheiding tussen zelf en ander. Die gelijkenis wordt versterkt doordat Rasch haar concepten voorstelt als ongrijpbaar, in zekere zin absoluut. Vervolgens blijken de kloof en het else, net als de scheiding, te werken als bron van ethische reflectie. Zowel Rasch als Levinas zien die kloof als oorsprong van de mogelijkheid tot ethisch handelen. Tenslotte heeft Rasch het ook over de oncategoriseerbaarheid van het else en de gevolgen daarvan voor kennisverwerving. Grappig is dat Rasch de vreemdheid van die concepten voor het alledaagse menselijke gemoed – ofwel de ‘ongebruikelijkheid’ in de terminologie van Rat – expliciet benoemt: “Op dataďsten maakt de filosofische vanzelfsprekendheid dat er een gat gaapt tussen data en wereld in elk geval geen indruk. Het enige bestaansrecht van het gat is zijn opvulling. Als de data werken naar behoren, is de rest filosofische muggenzifterij.”

Trends in de psychiatrie

En dan terug naar de psychiatrie. We hebben aan het begin gezien dat de slogan ‘verbinding!’ daar regelmatig valt, en na de filosofische uitweidingen langs Heidegger en Levinas stel ik vast dat die kreet te simplistisch is en teveel onwenselijke of onrealistische implicaties bevat. Daarom ben ik geďnteresseerd om te weten of er onder psychiaters, net als onder sommige filosofen, leden van de beroepsgroep zijn die zich voor de basis van socialiteit oriënteren op het concept van de scheiding, of de kloof, of de opening, en die dus geneigd zijn om communicatie, ook met hun cliënten te zien als een waagstuk.

Mijn hypothese is dat die trend er is op dat vlak, dat wil zeggen dat een aantal psychiaters verklaart dat ze in hun relatie met hun cliënten niet meer uitkomen met het uitgangspunt van verbinding. Dat meen ik althans op te maken uit een enigszins oppervlakkige eerste indruk van het veld waar de volgende geluiden klinken:
•    Onvrede met de gebruikelijke labels in psychiatrie, afkomstig uit het psychiatrisch handboek DSM. Die onvrede komt voort uit het gevoel dat veel categorieën de lading niet dekken en dat zij echt contact in de weg staan vanwege het beroep op objectieve classificatie.
•    Behoefte aan meer waarachtig contact met de cliënt, ook omdat daar een helende werking vanuit gaat; ook als dat betekent dat de relatie met de cliënt gelijkwaardiger wordt en de arts aan prestige inlevert.
•    Verschuiving van het derde persoonsperspectief naar het eerste persoonsperspectief, wat je kunt duiden in termen van Levinas als een verschuiving van de samenleving van derden naar ruimte voor de uniciteit van personen.
Om te bepalen of deze geluiden met elkaar daadwerkelijk een trend binnen de psychiatrie vertegenwoordigen zal ik er nader onderzoek naar moeten doen. Dat onderzoek wil ik uitvoeren aan de hand van interviews met psychiaters. Als blijkt dat die trend er is zou dat, grappig genoeg, een stevige match opleveren met de terminologie van Rasch. Zij gebruikt de termen kloof, categorisering en ethische bewustwording om de misverstanden te beschrijven die de gladstrijkende dataficatie creëert. De parallellen met de door mij vermoede opvattingen van de reflexieve psychiaters zouden dan de volgende zijn:
•    Er is een kloof in de gangbare psychiatrie tussen de samenleving van derden, vertegenwoordigd door de behandelaar, en de cliënt; die kloof moet gladgestreken worden.
•    De behandelaar bepaalt de categorieën waarover gesproken wordt, hij is de profileerder, de cliënt is de geprofileerde.
•    Als de psychiater zich bewust wordt van deze scheve verhouding gaat hij zich ethische vragen stellen: Wat vind ik zelf eigenlijk van die scheve verhouding? Wie ben ik? Wat vindt de cliënt er eigenlijk zelf van?
Verbinding zou, gegeven deze vragen, niet meer het meest voor de hand liggende toverwoord zijn voor psychiaters. Immers, de objectiviteit en thematiseerbaarheid waar die verbinding – via gedeelde, gemeenschappelijke waarden of codes (bijvoorbeeld DSM) – mee werkt, doen te vaak geen recht aan het eerste persoonsperspectief van hun cliënten. ‘Gegeven verbinding’ als uitgangspunt doet daardoor afbreuk aan de genezende kracht van de relatie met de cliënt. Het lijkt erop dat een aantal psychiaters in reactie daarop benadrukken dat de cliënt niet te begrijpen of te vatten is op de gangbare manier, en misschien wel helemaal niet. Het is waarschijnlijk een klein groepje reflexieve psychiaters dat op deze manier bezig is met communicatie als waagstuk. In hoeverre psychiaters zich aan dit waagstuk wagen zal moeten blijken uit de interviews met psychiatrische behandelaars die ik wil gaan houden.