Home
Tweet Home English Workshops
Teksten/ Artikelen
Contact Naud van der Ven NB: zijn de teksten niet netjes leesbaar? Probeer een ander merk browser, bijvoorbeeld Firefox. |
Wie is de ander bij Levinas?(Webinar op 26 juni 2020 voor adviesbureau Haagse Beek, via Zoom)
“Let een beetje op elkaar”, of: “Zorg goed voor je naaste”; met die uitspraken zijn we het graag snel eens, zeker in deze coronatijden. Maar voor wie een beetje doordenkt doet zich al gauw de vraag voor: wie is die naaste, wie is ‘elkaar’? Ik kan toch niet voor iedereen zorgen? En daarmee krijgt de vraag direct een reikwijdte die corona overstijgt. Want in het licht van de vele wantoestanden, dictators en vluchtelingen waarmee het krantennieuws ons dagelijks overspoelt kan het voornemen om goed te zorgen voor je naaste al gauw een gevoel van onmacht creëren. Waar moeten we beginnen, wie moeten we helpen? We kunnen toch niet iedere vluchteling opnemen die zich aandient? Voor een begin van een reflectie op die vraag ga ik eerst te rade bij het antwoord van het Christendom waar onze cultuur zo vertrouwd mee is. Jezus krijgt immers in het evangelie van Lucas (10, 25-37) precies die vraag: wie is eigenlijk mijn Naaste? Hij krijgt die vraag van een wetgeleerde, en hij geeft antwoord via zijn parabel van de Barmhartige Samaritaan. Die gaat als volgt:
Toen Jezus klaar was met de parabel, wendde hij zich tot de wetgeleerde en vroeg hem: “Wie van deze drie lijkt u de naaste te zijn geweest van de man, die in handen van de rovers gevallen was?” De wetgeleerde antwoordde: “Die hem barmhartigheid getoond heeft” Jezus zei: “Ga heen en doe evenzo”. Jezus draait de vraag dus om en vraagt eigenlijk: “Voor wie bent u een naaste?”. Dat is een gelukkige vondst, want daardoor zet hij je direct in de actiestand, met het perspectief om voor een ander wat te betekenen. Die omdraaiing wordt dan ook in veel preken en beschouwingen op Christelijke sites en in Christelijke boeken gemaakt. Maar de oorspronkelijke vraag “Wie is mijn Naaste” blijft ondertussen ook prangend vragen om een antwoord, en is daarom evenzeer aanwezig op diezelfde sites en in die boeken. Dat is logisch omdat naastenliefde, liefde voor de naaste, een terugkerend gebod is in de hele Bijbel, zowel het Oude als het Nieuwe Testament. En dan blijkt de vraag wie de Naaste – of ook wel: de Ander – is, een lastige. Dat blijkt uit de worstelingen daarmee die je van het internet kunt plukken. Ik geef hierbij een greep uit de antwoorden:
Laat ik maar direct zeggen: ik kan niets met dat antwoord. Want iedereen, dat is te veel. En iedereen die nood heeft, dat is ook te veel, dat wordt betekenisloos. Bovendien, als de lat zo hoog gelegd wordt, dan liggen cynisme en ontmoediging op de loer, want de meeste mensen kunnen aan zo’n hoog ideaal niet voldoen. Voor mezelf heb ik vastgesteld dat ik criteria nodig heb, die mij helpen om in de actie voor een ander te schieten. Daar zijn criteria bij zoals politieke haalbaarheid, praktische uitvoerbaarheid en rechtvaardigheid, maar daar ga ik het niet over hebben. Er is een ander criterium, van geheel andere aard, en dat wil ik bespreken. Dat is het verschijnsel van de denkschaamte. Dat verschijnsel heb ik bij de Frans-Joodse filosoof Emmanuel Levinas vandaan, en dat brengt mij bij mijn eigenlijke onderwerp: wie is de ander bij Levinas? Mijn antwoord op die vraag zal zijn: degene die bij mij denkschaamte losmaakt. Om dat begrijpelijk te maken ga ik nader in op het
verschijnsel denkschaamte. LevinasMaar allereerst iets over Levinas. Levinas is een Frans-Joodse filosoof die leefde van 1906 tot 1995. Hij werd geboren in Litouwen, en ging op zijn achttiende in Frankrijk filosofie studeren. De fenomenologie interesseerde hem, hij promoveerde op de fenomenoloog Husserl, en introduceerde Heidegger in Frankrijk. Hij werd directeur van een Joodse school in Parijs. De oorlog overleefde hij als militair in krijgsgevangenschap, zijn vrouw en dochter konden onderduiken. Zijn familie in Litouwen is door de Duitsers geheel uitgemoord. Na de oorlog ontwikkelde Levinas zijn eigen denken,
wat onder andere resulteerde in zijn twee grote
werken De totaliteit en het Oneindige en Anders
dan Zijn. Hij kreeg professoraten aan de
universiteiten van Parijs Nanterre en de Sorbonne. DenkschaamteHet verschijnsel ‘denkschaamte’ is als volgt te omschrijven: denkschaamte is het verschijnsel dat je je verlegen voelt over je eigen denken, terwijl je het alleen maar goed bedoelt, ook voor een ander. Maar juist dat goedbedoelende denken voor een ander kan een soort existentiële verlegenheid veroorzaken. Nu is denken voor een ander iets heel normaals. Dat doen we allemaal: een manager wordt ervoor betaald, een ouder doet het voor zijn kind, een verzorger voor zijn patiënt. En ik ga ervan uit: dat doen we allemaal te goeder trouw, met de beste bedoelingen. Maar er kunnen zich momenten voordoen dat, ondanks onze goede bedoelingen, de ander voor wie we denken, niet gediend is van onze plannen. Hij toont verdriet of een kwetsuur. En dat verrast ons, want we bedoelen het toch goed? Op dat moment kan er sprake zijn van denkschaamte. Laten we vaststellen: het is een raar verschijnsel. Je bedoelt het goed en toch schaam je je voor wat je doet. Misschien vindt u het verschijnsel zo onwaarschijnlijk dat u niet gelooft dat het bestaat. Om aannemelijk te maken dat het wel bestaat wil ik twee verhaaltjes voorlezen van mensen die het kennelijk hebben meegemaakt. Door naar hen te luisteren krijgt u wellicht ook een preciezer beeld van wat ik bedoel met denkschaamte. Het eerste verhaaltje komt uit het boek Met gevoel voor realiteit van Wim van Dinten. Van Dinten beschrijft een reis met een collega door de Verenigde Staten. Onderweg naar San Francisco besluiten zij in een klein plaatsje te overnachten.
En waarom schaamt hij zich? Omdat hij gezegd heeft “dat honden toch geen mensen zijn”. Maar daar hoeft hij zich toch helemaal niet voor te schamen? Is dat niet een geheel redelijke, verstandige visie op honden en mensen, namelijk “dat honden toch geen mensen zijn”. Ik zie geen reden om je te schamen voor zo’n uitspraak, ik zou het hem zo na kunnen zeggen. Dat is het denken. En toch schaamt hij zich, omdat hij via dat denken duidelijk een grens is overgegaan en iemand heeft gekwetst. Daarom: denkschaamte. Dat is het ongerijmde van de denkschaamte: wat je gezegd hebt is beslist niet onredelijk, en toch schaam je je. De denkschaamte zelf is dus niet redelijk. Maar toch bepaalt het je handelen wel: je voelt je eigen grofheid, je maakt excuses. Hier vind je Levinas ten voeten uit: de ander
triggert je zodanig dat redelijkheid niet meer het
belangrijkste is. Daar vind je de ander. En
tegelijkertijd word je zelf aangesproken op de
diepste grond van je eigen bestaan: je
verantwoordelijkheid. GroenkapjeHet tweede voorbeeld ontleen ik aan de juriste en schrijfster Naema Tahir. Zij is Pakistaanse van oorsprong, in Engeland geboren, en getrouwd met een Nederlandse man. Zij heeft zich vanaf 2001 veel bezig gehouden met het Islamdebat in Nederland. In 2008 kwam zij tot de conclusie dat het Nederlandse Islamdebat anders moest worden gevoerd, met meer humor. Ze had net Groenkapje geschreven, een bundel korte sprookjes over Moslims in een fictieve multiculturele samenleving. Door middel van grappige wendingen en namen probeerde ze de angel uit het debat te halen, onder het motto: als je om jezelf en de ander kunt lachen, is de toenadering al begonnen. De hoofdstukken in haar boek hadden titels als: ‘Groenkapje en de bekeerde wolf’, ‘Maagdensteeltje’ en ‘De slapende maagd’. Ze liet het een vriend voorlezen op een verjaardagsfeest van Surinaams-Nederlandse Moslims. Daar reageerden ze not amused en zelfs gekwetst en dat bracht haar in verwarring. “De Christenen hadden toch ook Life of Brian doorstaan”, dacht ze, “en Jesus Christ Superstar? Ik heb het recht aan mijn zijde”. Toch overheerste schaamte. Ze herschreef gedeelten, en alle personages die voor de grap Mohammed en Aisha waren genoemd, kregen andere namen. Het kostte haar duizenden euro’s, want het boek was al bijna gedrukt. Laat ik het zo zeggen, of hier denkschaamte aan de orde is weet ik niet, want Tahir gebruikt in haar verslag het woord ‘schaamte’, en niet het woord ‘denkschaamte’. Maar alle ingrediënten en symptomen van denkschaamte zijn aanwezig: de aanvankelijke vanzelfsprekendheid en goede bedoelingen van een idee, in dit geval: het geloof in de bevrijdende en verbroederende werking van humor in een vastgelopen debat; de schok en verwarring wanneer je ontdekt dat wat jij niet anders dan als positief kunt beschouwen niet vanzelfsprekend voor iedereen positief is; het besef dat je met die vanzelfsprekende en zelfs goed bedoelde gedachte mogelijk anderen gekwetst hebt; en de verandering die dit besef met zich meebrengt, in dit geval: Tahir vindt sindsdien dat hoofddoeken en sluiers niet hoeven te verdwijnen. Áls hier, zoals ik denk, inderdaad denkschaamte aan
de orde is geweest dan is het niet moeilijk om die
te situeren. Dan zit die in het moment dat Tahir
geamuseerde reacties verwacht van haar Islamitische
versie van Life of Brian, en in de plaats daarvan
geschokte reacties ontvangt. Op dat moment
realiseert zij zich dat ze met haar enthousiasme
voor een bepaald idee bij een ander over de grens
gaat. Dus als zij voor het eerst te weten komt dat
mede-Moslims haar humor niet op prijs stellen. De
schaamte is dan het besef: in mijn enthousiasme ga
ik te ver en daarmee kwets ik iemand. Antwoord op de vraagOp dit punt keer ik terug naar onze oorspronkelijke vraag: wie is de Ander? Want als zoiets als boven beschreven mij overkomt heb ik, al is het maar voor een moment, een antwoord op die moeilijke vraag: wie is de ander. De ander, aan wie ik iets verplicht ben, is degene bij wie ik over de grens ben gegaan. Haar of hem wil ik excuses maken, of anderszins tegemoet komen, want ik heb haar niet in haar waarde gelaten. Dat kan ik dan meestal ook, en dat doe ik dan meestal ook. Vandaar dat één van de antwoorden op de vraag wie is de ander voor mij luidt: de ander is degene die bij mij denkschaamte veroorzaakt. Zoals gezegd heb ik dat antwoord bij Levinas vandaan. Dat komt omdat Levinas reflecteert op allerlei verschijnselen die samenhangen met denkschaamte. Hij gaat bijvoorbeeld uitgebreid in op: • het geweld van de rede; hij spreekt veel over het rationele denken dat pretendeert de wereld en de ander te kennen en daarmee over grenzen gaat; • het feit dat de ander misschien wel eens heel anders zou kunnen zijn dan jij kunt verzinnen, en dat het goedbedoelende denken iets totalitairs kan krijgen; • het moment waarop je je dat realiseert; dat zou wel eens een moment van echte ontmoeting kunnen zijn; het moment van de denkschaamte. Nadere gedachten over denkschaamteDenkschaamte is een rijk verschijnsel, het heeft bij nadere beschouwing allerlei implicaties die het vermelden waard zijn. Als ik daarop inzoom, mede aan de hand van de kwestie Groenkapje, dan vallen de volgende aspecten op. • Goede bedoelingen geven niet de
doorslag. Jij hebt je leuke ideeën en goede
intenties. Maar dat telt allemaal niet meer op het
moment dat een ander daardoor gekwetst wordt en jij
op een of andere manier overtuigd bent van die
kwetsuur. Dan bepaalt die ander ineens jouw
speelruimte, ook al reageert die ander – voor jouw
gevoel – op een overdreven of humorloze manier. Er
treedt dus een zeker verlies van autonomie op. Toch
voelt het niet verkeerd, er is namelijk écht
contact. BesluitHet is niet moeilijk om denkschaamte – of het gebrek eraan – in verband te brengen met veel van de problemen die de kranten ons op dagelijkse basis voorschotelen, zoals integratie, de arrogantie van Noord-Europa tegenover Zuid-Europa of de bagatellisering van de vluchtelingenproblematiek. Maar op die fronten is de persoonlijke component niet of nauwelijks aanwezig. Het persoonlijke handelen is dus maar beperkt mogelijk, de onmacht waarover het in het begin ging blijft staan. Maar tegelijkertijd heeft denkschaamte een
persoonlijke component. Waar ik zelf, in mijn
omgeving, over de grens ga bij een ander, en dus
totalitair word, dáár kan ik direct mezelf laten
corrigeren – door de denkschaamte –, excuses maken
en opnieuw beginnen. En dat kan wel eens heel
politiek uitpakken. |