Home
Home





English





Workshops





Teksten/

Artikelen





Contact





Naud van der Ven





NB: zijn de teksten niet netjes leesbaar?
Probeer een ander merk browser, bijvoorbeeld Firefox.

Klik hier
                  voor blogberichten




Wie is de ander bij Levinas?

(Lezing voor de Walkartgemeenschap in Zeist op 7 april 2019)



Inhoudsopgave


Inleiding: Wie mijn Naaste?

Ik begin deze ochtend maar eens heel stichtelijk. Ik ben niet Christelijk, maar misschien wel gevoelig voor de zondagochtendsfeer. Hoe dan ook, voor een begin wil ik aansluiten bij het antwoord van Jezus op de vraag: wie is mijn Naaste, in het evangelie van Lucas (10, 25-37). Jezus krijgt die vraag van een wetgeleerde, en hij geeft antwoord via zijn parabel van de Barmhartige Samaritaan. Die gaat als volgt:

Een man op weg van Jeruzalem naar Jericho wordt door struikrovers overvallen, geslagen en beroofd, en voor dood achtergelaten. Een priester en een leviet komen voorbij, maar laten de man liggen en lopen met een boog om hem heen. Dan passeert een Samaritaan. Deze wordt door medelijden bewogen. Hij helpt de man, verbindt zijn wonden en betaalt de herberg voor hem.

Toen Jezus klaar was met de parabel, wendde hij zich tot de wetgeleerde en vroeg hem: “Wie van deze drie lijkt u de naaste te zijn geweest van de man, die in handen van de rovers gevallen was?” De wetgeleerde antwoordde: “Die hem barmhartigheid getoond heeft” Jezus zei: “Ga heen en doe evenzo”.

Jezus draait de vraag dus om en vraagt eigenlijk: “Voor wie bent u een naaste?”. Dat is een gelukkige vondst, want daardoor zet hij je direct in de actiestand, met het perspectief om voor een ander wat te betekenen.

Die omdraaiing wordt dan ook in veel preken en beschouwingen op Christelijke sites en in Christelijke boeken gemaakt. Maar de oorspronkelijke vraag “Wie is mijn Naaste” blijft ondertussen ook prangend vragen om een antwoord, en is daarom evenzeer aanwezig op diezelfde sites en in die boeken. Dat is logisch omdat naastenliefde, liefde voor de naaste, een terugkerend gebod is in de Bijbel.

En dan blijkt de vraag wie is de Naaste of, zoals geformuleerd in deze lezingenreeks, wie is de Ander, een lastige. Dat blijkt uit de worstelingen daarmee die je van het internet kunt plukken. Ik geef hierbij een greep uit de antwoorden:

De site Allaboutgod:

“Zijn onze naasten meer dan onze familie en buren? Zou het misschien wel bijna iedereen kunnen zijn die we tegenkomen?” Daar voorziet de site problemen: “Het volgen van dit gebod vereist waarschijnlijk de bovennatuurlijke hulp die God ons door middel van Christus kan bieden.”

De site Refoweb:

“Ieder mens die in nood is, die is jouw naaste, die geholpen moet worden.” Maar ook hier wordt een kanttekening bij gemaakt: “Storm niet gelijk op iedereen af. Raadpleeg eerst God”, want er zouden weleens veel meer naasten kunnen zijn dan we ooit kunnen helpen. Het Forum van het Refoweb tipt daarom het boek van de schrijver Evert-Jan Brouwer, en wel als volgt: “Omdat uiteindelijk iedereen onze naaste is, gaat het om de vraag hoe verantwoorde keuzes te maken. Brouwer brengt hierin een heel bruikbare, Bijbels gefundeerde rangorde aan. In het hoofdstuk ‘Aan wie vertrouw ik mijn gift toe?’ staan onderwerpen centraal die te maken hebben met de identiteit van verschillende organisaties”. En ik heb de indruk dat de auteur en de aanbevolen organisaties misschien niet geheel los van elkaar staan.

De site van theoloog Jan Vaessen

Jan Vaessen roept uit: “Maar wie is mijn naaste? Ik kan toch niet de hele wereld op m’n nek nemen!” Toch is dat wel de uitkomst van zijn beschouwing:  “Voor iedereen die je tegen komt kun je in principe een naaste zijn”.

Je kunt stellen dat het antwoord op de vraag, traditioneel gezien – en daarmee doel ik op Christelijke opvattingen die in het Westen gedurende eeuwen de toon aangaven – neerkomt op het antwoord: iedereen in nood is mijn naaste. Vervolgens voorziet men praktische problemen, maar die zijn niet meer van invloed op dat principe: iedere medemens is mijn naaste.

Laat ik maar direct zeggen: ik kan niets met dat antwoord. Want iedereen, dat is te veel. En iedereen die nood heeft, dat is ook te veel, dat wordt betekenisloos. Bovendien, als de lat zo hoog gelegd wordt, dan liggen cynisme en ontmoediging op de loer, want de meeste mensen kunnen aan zo’n hoog ideaal niet voldoen.

Voor mezelf heb ik vastgesteld dat ik criteria nodig heb, die mij helpen om in de actie voor een ander te schieten. Daar zijn criteria bij zoals politieke haalbaarheid, praktische uitvoerbaarheid en rechtvaardigheid, maar daar ga ik het niet met u over hebben. Er is een ander criterium, van geheel andere aard, en dat wil ik met u bespreken. Dat is het verschijnsel van de denkschaamte. Dat verschijnsel heb ik bij de Frans-Joodse filosoof Emmanuel Levinas vandaan, en zo arriveer ik nu dus bij het onderwerp van mijn inleiding: wie is de ander bij Levinas? Mijn antwoord op die vraag zal zijn: degene die bij mij denkschaamte losmaakt.

Om dat begrijpelijk te maken zal ik het met u gaan hebben over dat verschijnsel: Wat is dan denkschaamte?

Levinas

Maar allereerst iets over Levinas. Levinas is een Frans-Joodse filosoof die leefde van 1906 tot 1995. Hij werd geboren in Litouwen, en ging op zijn achttiende in Frankrijk filosofie studeren. De fenomenologie interesseerde hem, hij promoveerde op de fenomenoloog Husserl, en introduceerde Heidegger in Frankrijk. Hij werd directeur van een Joodse school in Parijs.

De oorlog overleefde hij als militair in krijgsgevangenschap, zijn vrouw en dochter konden onderduiken. Zijn familie in Litouwen is door de Duitsers geheel uitgemoord.

Na de oorlog ontwikkelde Levinas zijn eigen denken, wat onder andere resulteerde in zijn twee grote werken De totaliteit en het Oneindige en Anders dan Zijn. Hij kreeg professoraten aan de universiteiten van Parijs Nanterre en de Sorbonne.

Denkschaamte

Het verschijnsel ‘denkschaamte’ is als volgt te omschrijven: denkschaamte is het verschijnsel dat je je verlegen voelt over je eigen denken, terwijl je het alleen maar goed bedoelt, ook voor een ander. Maar juist dat goedbedoelende denken voor een ander kan een soort existentiële verlegenheid veroorzaken.

Nu is denken voor een ander iets heel normaals. Dat doen we allemaal: een manager wordt ervoor betaald, een ouder doet het voor zijn kind, een verzorger voor zijn patiënt. En ik ga ervan uit: dat doen we allemaal te goeder trouw, met de beste bedoelingen. Maar er kunnen zich momenten voordoen dat, ondanks onze goede bedoelingen, de ander voor wie we denken, niet gediend is van onze plannen. Hij toont verdriet of een kwetsuur. En dat verrast ons, want we bedoelen het toch goed? Op dat moment kan er sprake zijn van denkschaamte.

Laten we vaststellen: het is een raar verschijnsel. Je bedoelt het goed en toch schaam je je voor wat je doet.

Misschien vind u het verschijnsel zo onwaarschijnlijk dat u niet gelooft dat het bestaat. Om aannemelijk te maken dat het wel bestaat wil ik u twee verhaaltjes voorlezen van mensen die het kennelijk hebben meegemaakt. Door naar hen te luisteren krijgt u wellicht ook een preciezer beeld van wat ik bedoel met denkschaamte.

Het eerste verhaaltje komt uit het boek Met gevoel voor realiteit van Wim van Dinten. Van Dinten beschrijft een reis met een collega door de Verenigde Staten. Onderweg naar San Francisco besluiten zij in een klein plaatsje te overnachten.

Nadat we in een hotel hadden ingecheckt, liepen we naar een restaurant. Bij een benzinepomp passeerden we een camper. Er stapte een man uit: ik schatte hem achter in de dertig, hij was een beetje vuil en ongeschoren. Hij viel me op omdat hij wat hulpeloos om zich heen keek. Achter de voorruit keken drie honden ons aan.

Terwijl wij langs liepen , sprak hij ons aan. Hij zei dat hij geen geld had en vroeg of wij wat voor hem hadden zoadat hij kon tanken. Hij was heel zachtaardig, toonde geen enkele agressie. Ik gaf hem vijf dollar.

Ik vroeg hem of hij steeds met die drie honden rondreisde. “It are no dogs sir, it are people.” Ik dacht dat hij mij niet begrepen had, wees op de honden in de cabine en herhaalde mijn vraag. Opnieuw antwoordde hij: “It are no dogs sir, it are people.”

Mijn collega vroeg hem of er voor hem geen verschil was tussen honden en mensen. Hij zei dat er veel verschil was, dat honden veel meer liefde gaven en veel betere levenspartners waren. Wij keken hem aan, pauzeerden even. Mijn collega zei dat er dan toch nog zoveel verschillen waren dat je honden ook dan geen mensen noemt. Hij keek ons wat langer aan, nog steeds zonder enige agressie. Hij gaf me de vijf dollar terug en liep weg. Ik wist niets te zeggen, voelde me ruw, lomp en agressief. (Van Dinten 2002: 253)

Wat ik hier wil benadrukken is de ongerijmdheid van de reactie van de verteller. Hij zegt: “Ik voelde me ruw, lomp en agressief”. Dat is de schaamte.

En waarom schaamt hij zich? Omdat hij gezegd heeft “dat honden toch geen mensen zijn”. Maar daar hoeft hij zich toch helemaal niet voor te schamen? Is dat niet een geheel redelijke, verstandige visie op honden en mensen, namelijk “dat honden toch geen mensen zijn”. Ik zie geen reden om je te schamen voor zo’n uitspraak, ik zou het hem zo na kunnen zeggen. Dat is het denken.

En toch schaamt hij zich, omdat hij via dat denken duidelijk een grens is overgegaan en iemand heeft gekwetst. Daarom: denkschaamte.

Dat is het ongerijmde van de denkschaamte: wat je gezegd hebt is beslist niet onredelijk, en toch schaam je je. De denkschaamte zelf is dus niet redelijk. Maar toch bepaalt het je handelen wel: je voelt je eigen grofheid, je maakt excuses.

Hier vind je Levinas ten voeten uit: de ander triggert je zodanig dat redelijkheid niet meer het belangrijkste is. Daar vind je de ander. En tegelijkertijd word je zelf aangesproken op de diepste grond van je eigen bestaan: je verantwoordelijkheid.

Groenkapje

Een ander voorbeeld ontleen ik aan de juriste en schrijfster Naema Tahir. Zij is Pakistaanse van oorsprong, in Engeland geboren, en getrouwd met een Nederlandse man. Zij heeft zich vanaf 2001 veel bezig gehouden met het Islamdebat in Nederland. In 2008 kwam zij tot de conclusie dat het Nederlandse Islamdebat anders moest worden gevoerd, met meer humor. Ze had net ‘Groenkapje’ geschreven, een bundel korte sprookjes over Moslims in een fictieve multiculturele samenleving. Door middel van grappige wendingen en namen probeerde ze de angel uit het debat te halen, onder het motto: als je om jezelf en de ander kunt lachen, is de toenadering al begonnen. De hoofdstukken in haar boek hadden titels als: ‘Groenkapje en de bekeerde wolf’, ‘Maagdensteeltje’ en ‘De slapende maagd’. Ze liet het een vriend voorlezen op een verjaardagsfeest van Surinaams-Nederlandse Moslims. Daar reageerden ze not amused en zelfs gekwetst en dat bracht haar in verwarring. “De Christenen hadden toch ook ‘Life of Brian’ doorstaan”, dacht ze, “en ‘Jesus Christ Superstar’? Ik heb het recht aan mijn zijde”.

Toch overheerste schaamte. Ze herschreef gedeelten, en alle personages die voor de grap Mohammed en Aisha waren genoemd, kregen andere namen. Het kostte haar duizenden euro’s, want het boek was al bijna gedrukt.

Laat ik het zo zeggen, of hier denkschaamte aan de orde is weet ik niet, want Tahir gebruikt in haar verslag het woord ‘schaamte’, en niet het woord ‘denkschaamte’. Maar alle ingrediënten en symptomen van denkschaamte zijn aanwezig: de aanvankelijke vanzelfsprekendheid en goede bedoelingen van een idee, in dit geval: het geloof in de bevrijdende en verbroederende werking van humor in een vastgelopen debat; de schok en verwarring wanneer je ontdekt dat wat jij niet anders dan als positief kunt beschouwen niet vanzelfsprekend voor iedereen positief is; het besef dat je met die vanzelfsprekende en zelfs goed bedoelde gedachte mogelijk anderen gekwetst hebt; en de verandering die dit besef met zich meebrengt, in dit geval: Tahir vindt sindsdien dat hoofddoeken en sluiers niet hoeven te verdwijnen.

Áls hier, zoals ik denk, inderdaad denkschaamte aan de orde is geweest dan is het niet moeilijk om die te situeren. Dan zit die in het moment dat Tahir geamuseerde reacties verwacht van haar Islamitische versie van Life of Brian, en in de plaats daarvan geschokte reacties ontvangt. Op dat moment realiseert zij zich dat ze met haar enthousiasme voor een bepaald idee bij een ander over de grens gaat. Dus als zij voor het eerst te weten komt dat mede-Moslims haar humor niet op prijs stellen. De schaamte is dan het besef: in mijn enthousiasme ga ik te ver en daarmee kwets ik iemand.

Antwoord op de vraag

Op dit punt keer ik terug naar onze oorspronkelijke vraag: wie is de Ander? Want als zoiets als boven beschreven mij overkomt heb ik, al is het maar voor een moment, een antwoord op die moeilijke vraag: wie is de ander. De ander, aan wie ik iets verplicht ben, is degene bij wie ik over de grens ben gegaan. Haar wil ik excuses maken, of anderszins tegemoet komen, want ik heb haar niet in haar waarde gelaten. Dat kan ik dan meestal ook, en dat doe ik dan meestal ook.

Vandaar dat één van de antwoorden op de vraag wie is de ander voor mij luidt: de ander is degene die bij mij denkschaamte veroorzaakt.

En daarmee ben ik ook bij de titelvraag van deze lezing, namelijk: wie is de ander bij Levinas? Want Levinas maakt veel werk van

•    Het geweld van de rede; hij spreekt veel over het rationele denken dat pretendeert de wereld en de ander te kennen en daarmee over grenzen gaat.

•    Het feit dat de ander misschien wel eens heel anders zou kunnen zijn dan jij kunt verzinnen, en dat het goedbedoelende denken iets totalitairs kan krijgen.

•    Het moment waarop je je dat realiseert; dat zou wel eens een moment van echte ontmoeting kunnen zijn; het moment van de denkschaamte.

Nadere gedachten naar aanleiding van de kwestie Groenkapje

Nu zou je je kunnen afvragen: in dit geval zit de mogelijke schaamte bij een vertegenwoordiger van het establishment: Tahir studeerde rechten in Leiden, werkte als mensenrechtenjurist in Straatsburg, is universitair docent in Middelburg, en getrouwd met de Leidse filosoof Andreas Kinneging; maar vooral: ze gelooft diep in de Westerse waarden van  individualisme en seksegelijkheid. Betekent dit dat de denkschaamte altijd daar te vinden is, aan de kant van het establishment en de meerderheid, en nooit zal optreden bij degenen die in de minderheid en misschien wel de underdogs zijn?

Nee, dat hoeft zeker niet. Het kan overal optreden waar iemand overtuigd is van een bepaald idee en de heilzaamheid ervan – niet alleen voor zichzelf maar ook, en misschien juist wel, voor anderen. Dus overal waar mensen dingen willen veranderen.

Ik kan me bijvoorbeeld goed voorstellen dat denkschaamte zich zou kunnen voordoen bij een idealistische Moslim. Neem een Turkse vader die ontdaan is door de kilte van de Westerse samenleving en daartegenover oprecht gelooft in de zorg en aandacht voor elkaar die hij associeert met een traditionele Islamitische samenleving. Hij gelooft er heilig in dat Islamitische waarden een rechtvaardigere en meer menselijke samenleving opleveren.

Waarom zou hij niet, op het moment dat hij tegenover zijn zoon een doortimmerd pleidooi houdt voor een gearrangeerd huwelijk – waar hij zelf voor 100% in gelooft – getroffen kunnen worden door het verdriet van zijn zoon die zich door zijn woorden beroofd voelt van iets dierbaars, namelijk de mogelijkheid om volledig op te gaan in de Westerse samenleving. Zodanig dat de vader ineens denkt: waar ben ik mee bezig? Liggen de zaken wel zo rechtlijnig als ik denk? Zo’n moment van denkschaamte zou ineens ruimte scheppen die er tot dan niet was.

De conclusie die je moet trekken is dat denkschaamte dáár op kan treden

•    Waar mensen overtuigingen uitdragen, bijvoorbeeld pro-Westers of anti-Westers.

•    Die overtuigingen gevoed worden door goede bedoelingen, waarvan

•    onverwachts, een ander niet gediend blijkt te zijn; noch van het goede idee, noch van de goede bedoelingen van degene die het idee uitdraagt.

•    Waar, integendeel, blijkt dat die ander er verdrietig van wordt.

•    Waar dan de gedachte in de denker – dus degene met het leuke idee en de goede bedoelingen – postvat: dit gebeurt niet zomaar, er is een rechtstreeks verband tussen mijn goede idee en die ander zijn verdriet: mijn goede idee heeft een grens overschreden.

•    Dan zit je bij denkschaamte.


Logisch dus dat dit kan optreden bij voor- én tegenstanders van assimilatie van Moslims aan de Westerse cultuur. Want de voorstanders hebben een beslist goed bedoeld idee: de Westerse cultuur staat voor vrijheid en gelijkheid, en helpt mensen om zich tot autonome individuen te ontwikkelen. En de tegenstanders van assimilatie hebben net zo goed een goed bedoeld idee: de geborgenheid en warmte van de traditionele Islamitische samenleving mag niet verloren gaan.

Nader inzoomend zijn de volgende waarnemingen te vermelden rondom denkschaamte:

•    Goede bedoelingen geven niet de doorslag. Jij hebt je leuke ideeën en goede intenties. Maar dat telt allemaal niet meer op het moment dat een ander daardoor gekwetst wordt en jij op een of andere manier overtuigd bent van die kwetsuur. Dan bepaalt die ander ineens jouw speelruimte, ook al reageert die ander – voor jouw gevoel – op een overdreven of humorloze manier. Er treedt dus een zeker verlies van autonomie op. Toch voelt het niet verkeerd, er is namelijk écht contact.

•    Het kan gaan over iets waar jij beslist anders over denkt. Wat de ander zegt vind je misschien wel primitief, en je wilt dat eigenlijk op afstand houden. Toch wil je je er niet aan onttrekken.

•    Wat er gebeurt als je je laat raken door andermans verdriet is niet per se redelijk. Het kan door de inhoud van de  kwestie niet altijd afdoende verklaard worden. Er zijn bijvoorbeeld in de kwestie Groenkapje geen grote financiële, economische of geopolitieke belangen in het geding. Hier gaat het om subjectief beleefde identiteit en de kwetsuur daarvan, en daar ketst redelijkheid op af. Dat is vaag, maar toch voelt het niet verkeerd, er is namelijk écht contact.

•    Door de zojuist genoemde kenmerken: verlies van autonomie, het soms primitieve karakter van de kwestie waar het over gaat, en de ongrijpbaarheid voor de rede kan er iets irritants gaan kleven aan de effecten van denkschaamte en de discussies die daaruit voortvloeien. Zo kun je, als het gaat om integratie, veel horen: “Waarom passen ze zich niet gewoon aan?” Maar voor iemand met denkschaamte is de impuls tot gesprek groter dan de irritatie.